Hof 's-Hertogenbosch 10 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:889
HZ is een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) en verzorgt opleidingen in het hbo. Werkende student heeft zich in 2010 bij HZ ingeschreven voor de vierjarige deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde. Hij is de opleiding begonnen in het studiejaar 2010/2011.De student is op enig moment meegedeeld dat de deeltijdopleiding wordt beëindigd. Omdat student de daarop volgende jaren behoorlijke studievertraging heeft opgelopen, heeft HZ hem in augustus 2014 gevraagd zich voor het vijfde studiejaar (2014/2015) niet meer in te schrijven. Student is van verdere deelname uitgesloten. De rechtbank heeft geoordeeld dat HZ in de perioden 2011-2012 en 2012-2013, nadat zij had besloten tot het uitfaseren van de opleiding, niet heeft gehandeld zoals in de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hogeschool mag worden verwacht en dat zij daarmee jegens de student onrechtmatig heeft gehandeld. Centraal staat de vraag of HZ de op haar rustende zorgplicht jegens de student heeft geschonden, door hem vanaf 2012 onvoldoende in de gelegenheid te stellen zijn opleiding te vervolgen en af te ronden overeenkomstig het toepasselijke artikel 7.34 lid 2 Whw. Daarin is bepaald dat indien het instellingbestuur een opleiding beëindigt, het bestuur het tijdstip bepaalt waarop die beslissing van kracht wordt en zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien. Bij de beoordeling gaat het hof uit van de toepasselijkheid van de 'redelijke tijd' van artikel 7.34 lid 2 Whw, bij de invulling waarvan kan worden aangeknoopt bij de omlijning daarvan in (het strikt genomen rechtens niet toepasselijke) artikel 7.3 lid 6 Whw waarin is bepaald dat indien een opleiding wordt beëindigd de studenten in de gelegenheid worden gesteld hun opleiding zonder onderbreking bij die instelling te vervolgen, waarbij een termijn in acht wordt genomen van ten hoogste de voor de betrokken student resterende, aan de studielast van de opleiding gerelateerde studieduur vermeerderd met een jaar. Het hof oordeelt dat HZ haar zorgplicht niet heeft geschonden.
De uitspraak op rechtspraak.nl