Art. 7:967 BW, Sommenverzekering
1. Tenzij van een andere bedoeling blijkt, vervalt de aanwijzing van een begunstigde, indien hij overlijdt vóórdat:
a. hij de aanwijzing heeft aanvaard, of
b. een uitkering waarop de aanwijzing betrekking had, opeisbaar is geworden.
2. Is de begunstigde in hoedanigheid aangeduid, dan wordt de aanwijzing vermoed te zijn gedaan ten behoeve van hem die deze hoedanigheid bezit ten tijde dat de aanwijzing volgens artikel 968, onder b tot en met d, onherroepelijk wordt. Indien de begunstigde zowel bij naam als in hoedanigheid is aangeduid, wordt de aanwijzing vermoed te zijn gedaan ten behoeve van de bij naam aangewezen begunstigde.
3. In afwijking van het in lid 2 bepaalde strekt de begunstiging steeds ten behoeve van de begunstigde wiens aanwijzing door aanvaarding onherroepelijk is geworden, terwijl hij de in de aanwijzing aangeduide hoedanigheid bezat.
4. Zijn de als zodanig aangeduide erfgenamen van de verzekeringnemer of van de verzekerde als begunstigden aangewezen, dan worden daaronder diegenen verstaan die als erfgenamen tot de nalatenschap zijn geroepen, ongeacht of zij haar hebben aanvaard. Zij zijn tot de uitkering gerechtigd in dezelfde verhouding als waarin zij tot de nalatenschap zijn geroepen.
5. Is de nalatenschap van de verzekeringnemer of van de verzekerde als begunstigde aangewezen, dan komt het recht op uitkering toe aan de erfgenamen die de nalatenschap hebben aanvaard. Zij zijn tot de uitkering gerechtigd in dezelfde verhouding als waarin zij in de nalatenschap delen.
6. Zijn als zodanig aangeduide kinderen als begunstigden aangewezen, dan worden daaronder hun afstammelingen bij plaatsvervulling begrepen.
7. Indien een uitkering door de dood van de verzekerde opeisbaar wordt en deze en een begunstigde derde gelijktijdig zijn overleden, dan wel indien beiden zijn gestorven en men niet kan weten wie het eerst is overleden, valt, tenzij van een andere bedoeling blijkt, de uitkering niet aan die begunstigde ten deel.
8. Zolang geen derde als begunstigde is aangewezen, komt het recht op uitkering toe aan de verzekeringnemer. De verzekeringnemer wordt voorts geacht zichzelf als begunstigde te hebben aangewezen voor het geval dat geen aanwijzing van een derde als begunstigde gevolg heeft.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6728
- Rb. Noord-Holland 7 oktober 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:8460
- Rb. Utrecht 23 december 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BK7569
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 21 mei 2021, ECLI:NL:PHR:2021:600
- Conclusie A-G Lückers 13 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:407
- Hof 's-Hertogenbosch 15 november 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5121
- Hof Amsterdam 9 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1751
- Rb. Zutphen 9 mei 2007, ECLI:NL:RBZUT:2007:BB1993
- Rb. Noord-Nederland 5 maart 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:2243
- Rb. Midden-Nederland 3 december 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:6048
- Rb. Limburg 28 februari 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:1927
- Conclusie A-G Wuisman 21 september 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW6728
- Hof 's-Hertogenbosch 17 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:84
- Hof 's-Hertogenbosch 29 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2011
- Hof 's-Hertogenbosch 8 februari 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BP4000
- Hof Arnhem-Leeuwarden 6 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4750
- Hof Arnhem-Leeuwarden 29 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7809