Art. 7:364 BW, Pachtoverneming
Burgerlijk Wetboek Boek 7 (BW7)
1. De pachter kan zich tot de rechter wenden met de vordering zijn echtgenoot of geregistreerde partner, één of meer zijner bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of één of meer van zijn pleegkinderen – of twee of meer van deze gezamenlijk – aan te merken als medepachter.
2. Het bepaalde in artikel 363 leden 3 tot en met 8 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van «voorgestelde pachter» telkens wordt gelezen: «voorgestelde medepachter».
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Arnhem-Leeuwarden 4 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6859
- Rb. Noord-Nederland 28 september 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:4190
- Rb. Overijssel 14 maart 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1180
- Rb. Oost-Brabant 30 januari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:513
- Rb. Noord-Holland 11 januari 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:64
- Rb. Gelderland 29 mei 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:9892
- Rb. Den Haag 15 januari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:3289
- Hof Arnhem 20 oktober 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BK4249