Hof Arnhem-Leeuwarden 10 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8441
Art. 6:248, 7:363 en 7:364 BW. Vordering tot aanwijzing van medepachter. Voor de criteria met betrekking tot een vordering strekkende tot het aanstellen van een medepachter verwijst het tweede lid van artikel 7:364 Burgerlijk Wetboek (BW) naar de regeling van de indeplaatsstelling van artikel 7:363 BW. Daaruit volgt dat de pachtrechter op de bedoelde vordering naar billijkheid beslist, dus met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en rekening houdend met de belangen van partijen, zij het ook dat de rechter de vordering dient af te wijzen indien de voorgestelde medepachter niet voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering biedt. Achtergrond van deze verplichte afwijzingsgrond is dat van een verpachter niet kan worden gevergd dat hij zich een medepachter laat opdringen wiens kwaliteiten redelijkerwijs aan twijfel onderhevig zijn. In dat verband dienen met name eisen te worden gesteld aan de opleiding en ervaring van een voorgestelde medepachter. Hoe hoog de maatlat in concreto behoort te worden gelegd, is intussen mede afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo is vaste rechtspraak dat bij het oordeel over de geschiktheid van een voorgestelde medepachter mee mag wegen dat de zittende pachter naar verwachting nog enige tijd bij het bedrijf betrokken zal blijven, zodat de bedrijfsopvolging geleidelijk zal kunnen verlopen. Maar ook andere omstandigheden zullen een rol kunnen spelen. Wanneer het hof buiten beschouwing zou laten de bijzondere omstandigheden die het hierna zal benoemen, zou het oordeel over de kwaliteiten van de voorgestelde medepachter niet positief kunnen luiden. Zijn aanzienlijk tekort aan scholing wordt onvoldoende gecompenseerd door relevante werkervaring. In verband met bijzondere omstandigheden (zie het arrest) kunnen geïntimeerden in redelijkheid geen hogere eisen stellen aan de kwaliteiten van de voorgestelde medepachter, dan waaraan hij thans voldoet, dat wil zeggen die van een matig opgeleide en beperkt ervaren, maar betrokken en ook voldoende getalenteerde melkveehouder. Voor zover daarover anders zou behoren te worden geoordeeld, is in verband met dezelfde omstandigheden afwijzing van de vordering tot zijn aanstelling als medepachter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl