Art. 122k Wschw, De zuiveringsheffing
1. Indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan, die hij gebruikt, 1000 of minder bedraagt, en dat dit aantal aan de hand van de hoeveelheid ten behoeve van die bedrijfsruimte of dat onderdeel van die bedrijfsruimte ingenomen water bepaald kan worden, wordt dat aantal in afwijking van artikel 122g vastgesteld volgens de formule: A x B, waarbij, A = het aantal m3 in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water; B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij klasse acht van de in het derde lid opgenomen tabel of indien de heffingplichtige of de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap doet blijken dat een andere klasse dan acht van toepassing is, de afvalwatercoëfficiënt behorende bij een andere klasse van de in het derde lid opgenomen tabel met de klassegrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de bepaling van de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water.
3. De onderstaande tabel bevat klassen met bijbehorende klassegrenzen en afvalwatercoëfficiënten:
4. Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor de bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte meer dan 1000 bedraagt en door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat de berekening van dit aantal overeenkomstig het eerste lid niet resulteert in een lager aantal vervuilingseenheden dan de berekening van dit aantal overeenkomstig artikel 122g is het eerste lid op verzoek van de heffingplichtige van overeenkomstige toepassing.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Amsterdam 16 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3821
- Hof Arnhem-Leeuwarden 24 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2615
- Rb. Midden-Nederland 4 april 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:2718
- Rb. Gelderland 7 mei 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1953
- Rb. Gelderland 7 mei 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1952
- Rb. Gelderland 7 mei 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1951
- HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3512
- Hof 's-Hertogenbosch 20 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3475
- Rb. Zeeland-West-Brabant 26 juli 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:4614
- Rb. Rotterdam 5 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1802
- Rb. Rotterdam 14 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1056
- Rb. Roermond 20 maart 2012, ECLI:NL:RBROE:2012:BW0437
- Rb. Overijssel 16 juni 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3364
- Rb. Overijssel 3 april 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:1169
- Rb. Oost-Brabant 27 mei 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:2955
- Rb. Noord-Nederland 17 december 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:4380
- Rb. Amsterdam 19 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4911
- Rb. Amsterdam 28 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5463
- Hof Den Haag 17 maart 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:434
- Hof Arnhem-Leeuwarden 19 januari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:422