Art. 13 IW, Dwanginvordering
1. In afwijking van artikel 4:123 van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de betekening van het dwangbevel overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van exploten. Het dwangbevel vermeldt dat de belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet kan komen.
2. Indien de betekening geschiedt overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, vermeldt de envelop, in afwijking van de tweede volzin van het tweede lid van dat artikel, in plaats van de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en telefoonnummer van de deurwaarder, welke ontvanger de opdracht tot betekening heeft verstrekt, alsmede diens kantooradres en telefoonnummer.
3. In afwijking van artikel 4:123 van de Algemene wet bestuursrecht kan de betekening van het dwangbevel met bevel tot betaling ook geschieden door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de ontvanger. Indien het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd als bedoeld in artikel 14, wordt het bevel tot betaling geacht te zijn betekend door de belastingdeurwaarder die belast is met de tenuitvoerlegging. Uit de ongeopende envelop waarin het afschrift ter post wordt bezorgd, blijkt de naam en het adres van de belastingschuldige, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft.
4. Betekening op de voet van het derde lid is niet mogelijk ingeval:
a. de ontvanger is gebleken dat de aanmaning de belastingschuldige niet heeft bereikt, of
b. de invordering geschiedt met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a of onderdeel b.
5. Voor de toepassing van de artikelen 14, 19 en 20 wordt het dwangbevel met bevel tot betaling dat op de voet van het derde lid is betekend, geacht te zijn betekend twee dagen na de datum van de terpostbezorging van het dwangbevel met bevel tot betaling.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2593
- HR 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3743
- Conclusie A-G WATTEL 10 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BG4156
- Rb. Midden-Nederland 6 november 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:5344
- Hof Amsterdam 27 oktober 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2893
- ABRvS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:892
- Rb. Rotterdam 31 juli 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:6759
- Conclusie A-G Van den Berge 7 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6124
- Rb. Rotterdam 19 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11044
- Rb. Rotterdam 24 mei 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:4167
- Rb. Rotterdam 7 januari 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BH3194
- Rb. Rotterdam 17 november 2003, ECLI:NL:RBROT:2003:AN9478
- Rb. Midden-Nederland 1 februari 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:304
- Rb. Limburg 7 april 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:2728
- Rb. Gelderland 21 december 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6904
- Rb. Gelderland 4 augustus 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4111
- Rb. Breda 20 januari 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BL4413
- Rb. Breda 7 december 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BC0931
- Rb. Amsterdam 5 februari 2003, ECLI:NL:RBAMS:2003:AF6469
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 7 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA3743