Art. 2:24a BW, Rechtspersonen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 (BW2)
1. Dochtermaatschappij van een rechtspersoon is:
a. een rechtspersoon waarin de rechtspersoon of een of meer van zijn dochtermaatschappijen, al dan niet krachtens overeenkomst met andere stemgerechtigden, alleen of samen meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering kunnen uitoefenen;
b. een rechtspersoon waarvan de rechtspersoon of een of meer van zijn dochtermaatschappijen lid of aandeelhouder zijn en, al dan niet krachtens overeenkomst met andere stemgerechtigden, alleen of samen meer dan de helft van de bestuurders of van de commissarissen kunnen benoemen of ontslaan, ook indien alle stemgerechtigden stemmen.
2. Met een dochtermaatschappij wordt gelijk gesteld een onder eigen naam optredende vennootschap waarin de rechtspersoon of een of meer dochtermaatschappijen als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.
3. Voor de toepassing van lid 1 worden aan aandelen verbonden rechten niet toegerekend aan degene die de aandelen voor rekening van anderen houdt. Aan aandelen verbonden rechten worden toegerekend aan degene voor wiens rekening de aandelen worden gehouden, indien deze bevoegd is te bepalen hoe de rechten worden uitgeoefend dan wel zich de aandelen te verschaffen.
4. Voor de toepassing van lid 1 worden stemrechten, verbonden aan verpande aandelen, toegerekend aan de pandhouder, indien hij mag bepalen hoe de rechten worden uitgeoefend. Zijn de aandelen evenwel verpand voor een lening die de pandhouder heeft verstrekt in de gewone uitoefening van zijn bedrijf, dan worden de stemrechten hem slechts toegerekend, indien hij deze in eigen belang heeft uitgeoefend.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CRvB 23 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:145
- CBb 21 december 2017, ECLI:NL:CBB:2017:409
- Rb. Den Haag 12 januari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:4856
- Conclusie A-G van Peursem 15 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:238
- HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4887
- Conclusie A-G Timmerman 18 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1059
- Conclusie A-G Wattel 14 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:239
- Conclusie A-G WATTEL 18 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ2860
- HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2202
- Hof Arnhem-Leeuwarden 7 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8474
- Rb. Oost-Brabant 15 januari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:100
- Rb. Den Haag 1 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:3457
- Rb. Den Haag 26 juli 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:8414
- Rb. Den Haag 26 juli 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:8383
- Rb. Amsterdam 1 juli 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BN0820
- HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:15
- Hof Amsterdam 28 januari 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BH1789
- Hof Amsterdam 14 december 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AU8151
- Rb. Zeeland-West-Brabant 22 december 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:9651
- Rb. Utrecht 18 april 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BW3591