Art. 15af Vpb, Fiscale eenheid
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Vpb)
1. Vanaf het tijdstip van ontvoeging van een dochtermaatschappij worden voor de toepassing van artikel 20, tweede lid, de volgende verliezen verrekend met de door die dochtermaatschappij na dat tijdstip genoten belastbare winst:
a. de voorvoegingsverliezen van die maatschappij; en
b. de verliezen van de fiscale eenheid die aan die dochtermaatschappij zijn toe te rekenen.
2. Het eerste lid, onderdeel b, vindt slechts toepassing indien die maatschappij en de moedermaatschappij daarom verzoeken en voorzover aannemelijk wordt gemaakt dat deze verliezen aan die dochtermaatschappij zijn toe te rekenen.
3. Het in het tweede lid bedoelde verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de moedermaatschappij over het laatste jaar waarin de dochtermaatschappij nog deel uitmaakt van de fiscale eenheid. De inspecteur stelt het aan de dochtermaatschappij toe te rekenen verlies van de fiscale eenheid vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 20b, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. In afwijking in zoverre van het eerste lid vindt geen verrekening plaats met de belastbare winst van de ontvoegde dochtermaatschappij voorzover die winst betrekking heeft op vermogensbestanddelen die door die maatschappij zijn verkregen van een andere maatschappij waarmee het ten tijde van die verkrijging van de fiscale eenheid deel uitmaakte en die winst op de voet van artikel 15ah, tweede lid, niet aan de ontvoegde dochtermaatschappij zou zijn toegerekend indien de fiscale eenheid niet ten aanzien van die maatschappij zou zijn beëindigd.
5. Het vierde lid vindt geen toepassing indien met betrekking tot de daar bedoelde vermogensbestanddelen artikel 15ai, eerste of tweede lid, toepassing heeft gevonden.
6. Vanaf het in het eerste lid bedoelde ontvoegingstijdstip vindt met de winst van de fiscale eenheid onderscheidenlijk de moedermaatschappij geen verrekening plaats van de verliezen die ingevolge dat lid worden verrekend met de belastbare winst van de ontvoegde dochtermaatschappij.
7. Ten aanzien van een ontvoegde dochtermaatschappij die op de voet van het eerste lid, onderdeel b, verliezen van de fiscale eenheid mag verrekenen, wordt in artikel 20a voor «de belastingplichtige» gelezen: de maatschappij.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Arnhem-Leeuwarden 10 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:130
- Rb. Zeeland-West-Brabant 28 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:386
- Rb. Zeeland-West-Brabant 21 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4835
- Rb. 's-Gravenhage 17 september 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG7036
- Rb. Noord-Holland 30 oktober 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8607
- Rb. Den Haag 17 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:4795
- Conclusie A-G WATTEL 13 mei 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP7962
- HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:811
- HR 13 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7962
- Hof 's-Hertogenbosch 12 juli 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2454
- Hof 's-Gravenhage 23 februari 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BL5710
- Hof Den Haag 7 november 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3776
- Hof Arnhem-Leeuwarden 7 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6252
- Hof Arnhem-Leeuwarden 29 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6692
- Hof Amsterdam 21 april 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR4716