Hof Den Haag 7 november 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3776

Vennootschapsbelasting. Belanghebbende maakte tot 1 november 2013 deel uit van een fiscale eenheid voor de Vpb. Zij heeft in het onderhavige jaar (2013) een regresvordering - voortvloeiend uit een door de bank verstrekte groepskredietfaciliteit - verkregen op een of meerdere tot de fiscale eenheid behorende groepsmaatschappijen, waaronder in elk geval A BV. A BV is op 5 juli 2013 failliet verklaard. De Inspecteur heeft bij beschikking ex artikel 15af, lid 3, Wet Vpb het aan belanghebbende toe te rekenen verlies van de per 1 november 2013 verbroken fiscale eenheid tussen belanghebbende en haar toenmalige moedermaatschappij vastgesteld op nihil. Het Hof is van oordeel (i) dat het verlies op de intercompany vordering zich geheel heeft voorgedaan vóór het ontvoegingstijdstip en (ii) dat dit niet kan leiden tot de vaststelling van een aan belanghebbende toerekenbaar verrekenbaar verlies als bedoeld in artikel 15af Wet Vpb. De zelfstandige winstberekening van artikel 15ah Vpb is een hulpmiddel om het resultaat van de fiscale eenheid als geheel toe te rekenen, maar is niet van invloed op dat resultaat zelf. Bovendien stuit belanghebbendes beroep af op het bepaalde in artikel 15ah, lid 3, Vpb. Anders dan belanghebbende voorstaat, dient te worden bezien of in hetzelfde boekjaar tegenover het afwaarderingsverlies bij belanghebbende, bij de debiteur binnen de fiscale eenheid een even grote vrijvalwinst staat. Aan dit vereiste is niet voldaan. Een situatie als bedoeld in HR 10 september 2010, 08/03498, ECLI:NL:HR:2010:BJ9665 heeft zich vóór de ontvoeging van belanghebbende niet voorgedaan. Evenmin is sprake van strijd met doel en strekking van artikel 15af Vpb.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken