Art. 18i Wml, Stillegging van werkzaamheden
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml)
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar kan, nadat een overtreding van een voorschrift bij of krachtens deze wet is geconstateerd die bestuurlijk beboetbaar is gesteld, aan de werkgever een schriftelijke waarschuwing geven dat bij herhaling van de overtreding of bij een latere overtreding van eenzelfde in de waarschuwing aangegeven wettelijke verplichting of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen, door hem een bevel kan worden opgelegd dat door hem aangewezen werkzaamheden voor ten hoogste drie maanden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen. Artikel 18a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien een waarschuwing als bedoeld in het eerste lid is gegeven en herhaling van de overtreding of een latere overtreding als bedoeld in het eerste lid is geconstateerd, kan door de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, aan de werkgever bij beschikking een bevel als bedoeld in het eerste lid worden opgelegd dat wordt opgevolgd met ingang van het in de beschikking aangeven tijdstip. Deze beschikking wordt niet gegeven zolang wegens de eerste overtreding, bedoeld in het eerste lid, nog niet een bestuurlijke boete is opgelegd.
3. De constatering van de overtreding, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt vastgelegd in een boeterapport.
4. De waarschuwing, bedoeld in het eerste lid, vervalt indien na de dagtekening van de waarschuwing vijf jaren zijn verstreken.
5. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd met betrekking tot het bevel, bedoeld in het tweede lid, met inbegrip van de oplegging van een last onder bestuursdwang, de nodige maatregelen te treffen, de nodige aanwijzingen te geven en de hulp van de sterke arm in te roepen.
6. Ieder wie zulks aangaat is verplicht zich te gedragen overeenkomstig een bevel als bedoeld in het tweede lid en een maatregel of aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2735
- ABRvS 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1803
- ABRvS 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4948
- Rb. Oost-Brabant 13 november 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:5393
- Rb. Zeeland-West-Brabant 6 februari 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:1169
- ABRvS 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1721
- Rb. Zeeland-West-Brabant 28 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3461
- Rb. Zeeland-West-Brabant 13 april 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:1840
- Rb. 's-Gravenhage 14 oktober 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK2977
- Rb. Rotterdam 10 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14395
- Rb. Overijssel 29 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:4644
- Rb. Oost-Brabant 10 augustus 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5612
- Rb. Noord-Nederland 19 juni 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2417
- Rb. Noord-Holland 22 oktober 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:11099
- Rb. Midden-Nederland 17 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1591
- Rb. Midden-Nederland 17 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1590
- Rb. Midden-Nederland 17 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2359
- Rb. Midden-Nederland 12 november 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5579
- Rb. Limburg 10 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3399
- Rb. Limburg 30 september 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:7427