Rb. Oost-Brabant 13 november 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:5393
De minister heeft drie bestuurlijke boetes opgelegd wegens overtreding van de Wav, Wml en Atw. Voor het aannemen van een overtreding in de zin van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw volstaat een redelijk vermoeden niet en geldt een zwaardere bewijslast; de rechtbank oordeelt dat een overtreding op grond van die bepaling niet kan worden aangenomen en dat de minister daarom niet bevoegd is om een boete op te leggen. Bij de vaststelling van de Wav-boete heeft de minister de uitgangspunten in de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1973 toegepast. Gelet op de evenredigheid matigt de rechtbank de Wav- en Wml-boetes verder met 30% omdat sprake is van cumulatie van boetes als gevolg van dezelfde feitelijke handeling en van een grote mate van samenhang tussen de overtredingen. Matiging met nog eens met 5% gelet op de sinds begin oktober 2024 geldende interne (niet gepubliceerde) gedragslijn van de minister dat een boete met 5% wordt gematigd als de termijn tussen de datum van het boeterapport en de datum van de kennisgeving van de boete meer dan een half jaar bedraagt. De rechtbank herroept de boetebesluiten en voorziet zelf in de vaststelling van de boetes. Sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, die voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bbp worden beschouwd als één zaak.
De uitspraak op rechtspraak.nl