Art. 17a Wet OB, Heffing ter zake van intracommunautaire verwervingen
Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB)
1. Intracommunautaire verwerving van goederen is de verwerving van goederen ingevolge een levering van deze goederen door een als zodanig handelende ondernemer, welke goederen worden verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een andere lidstaat.
2. Wanneer door rechtspersonen, andere dan ondernemers, verworven goederen worden verzonden of vervoerd uit een derdelandsgebied of derde-land en door deze rechtspersonen worden ingevoerd in een andere lidstaat dan die van aankomst van de verzending of het vervoer, worden deze goederen geacht te zijn verzonden of vervoerd vanuit de lidstaat van invoer van de goederen.
3. Met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, wordt gelijkgesteld het beschikken voor bedrijfsdoeleinden over een goed dat door of voor rekening van de ondernemer wordt verzonden of vervoerd uit een andere lidstaat waar het goed is vervaardigd, gewonnen, bewerkt, gekocht, onderworpen aan heffing van belasting ter zake van intracommunautaire verwerving, of door hem is ingevoerd.
4. Met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, wordt gelijkgesteld het komen binnen Nederland van goederen die zijn verzonden of vervoerd vanuit een andere lidstaat, zonder dat deze goederen aldaar onderworpen waren aan heffing van belasting, omdat zij aldaar ter beschikking hebben gestaan voor het gebruik in het kader van: indien de invoer van die goederen niet zou zijn vrijgesteld.
a. een defensie-inspanning ter uitvoering van een Unieoptreden in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, bedoeld titel V, hoofdstuk 2, afdeling 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie;
b. het Verdrag van Londen van 19 juni 1951 tussen de Staten, die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (Trb. 1951, 114 en Trb. 1953, 10, Stb. 1953, 438);
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Leeuwarden 13 september 2012, ECLI:NL:RBLEE:2012:BY0137
- Conclusie A-G Ettema 29 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:335
- Hof Den Haag 12 mei 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1060
- Rb. Zeeland-West-Brabant 14 juli 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:3759
- Rb. Zeeland-West-Brabant 14 juli 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:3758
- Rb. Zeeland-West-Brabant 1 augustus 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4813
- Rb. 's-Gravenhage 5 augustus 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BN4683
- Rb. Noord-Nederland 17 juni 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:2538
- Rb. Noord-Holland 21 juli 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:7983
- Rb. Noord-Holland 29 maart 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:3177
- Rb. Arnhem 8 april 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BM0480
- Conclusie A-G Vegter 4 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:882
- Conclusie A-G Vegter 4 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:880
- Conclusie A-G VAN HILTEN 9 oktober 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BC9544
- Conclusie A-G Wattel 20 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE4369
- Conclusie A-G Van den Berge 29 oktober 1997, ECLI:NL:PHR:1997:AA2152
- HR 9 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1109
- HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5229
- HR 29 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2152
- Hof 's-Hertogenbosch 4 september 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BG4582