Conclusie A-G Ettema 29 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:335

Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting tussen [X1] B.V. en [X2] B.V. Beide vennootschappen zijn statutair gevestigd in Nederland. [X1] B.V. drijft een veehandel in Nederland, [X2] B.V. in Duitsland. [X2] B.V. heeft een vestiging in Duitsland die als een vaste inrichting van die vennootschap wordt aangemerkt. De fiscale eenheid, belanghebbende, past de veehandelregeling toe als bedoeld in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 15 juni 2006, nr. 2005/3096M. [X2] B.V. heeft in december 2009 en januari 2010 vee geleverd aan [X1] B.V., waarbij het vee vanuit Duitsland naar Nederland is overgebracht. In verband met deze overbrengingen heeft belanghebbende omzetbelasting op aangifte voldaan. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de op aangifte voldane bedragen. De Inspecteur heeft belanghebbendes bezwaren ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep en hoger beroep ingesteld. Voor de rechtbank Leeuwarden en hof Arnhem-Leeuwarden is in geschil of belanghebbende ter zake van de intracommunautaire verwervingen van vee recht heeft op de vrijstelling van artikel 17e van de Wet, omdat zij de veehandelregeling toepast. De rechtbank heeft geoordeeld dat de veehandelregeling geen vrijstelling is in de zin van artikel 17e van de Wet en dat de intracommunautaire verwervingen om die reden niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Het hof heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd, daartoe overwegende dat de veehandelregeling niet kan worden aangemerkt als een vrijstelling in de zin van artikel 17e van de Wet en artikel 140 van de Btw-richtlijn. Het karakter van een forfaitaire goedkeuringsregeling als de veehandelregeling staat naar het oordeel van het hof eraan in de weg dat zij wordt beschouwd als een vrijstellingsregeling voor de omzetbelasting. Voorts zijn de door belanghebbende verrichte leveringen niet ‘in elk geval vrijgesteld’ als bedoeld in artikel 17e van de Wet, aldus het hof. Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld en stelt twee middelen tot cassatie voor. Het primaire cassatiemiddel houdt in dat uit het arrest van het HvJ VDP Dental Laboratory voortvloeit dat een intracommunautaire verwerving altijd het regime moet volgen dat geldt voor de levering (vrijgesteld of belast) van de lidstaat van bestemming. Omdat ter zake van de levering van vee onder de veehandelregeling geen omzetbelasting is verschuldigd, meent zij dat zij evenmin omzetbelasting is verschuldigd ter zake van de intracommunautaire verwerving. Subsidiair betoogt belanghebbende dat het hof niet mocht oordelen dat belanghebbendes leveringen onder de veehandelregeling niet in ieder geval zijn vrijgesteld in de zin van artikel 17e van de Wet. A-G Ettema constateert dat artikel 296, lid 1, van de Btw-richtlijn het aan de lidstaten overlaat al dan niet een forfaitaire regeling in te voeren “ter compensatie van de BTW die is betaald over de aankopen van goederen en diensten van de forfaitair belaste landbouwers”. De regeling in de Btw-richtlijn houdt, kort gezegd, in dat de landbouwer – de Btw-richtlijn spreekt van ‘landbouwproducenten’ – geen werkelijk aan hem berekende voorbelasting in aftrek mag brengen maar wel wordt gecompenseerd voor de btw die drukt op door hem verrichte aankopen van goederen en diensten. De bedoelde compensatie kan op twee manieren geschieden. De eerste mogelijkheid is dat de landbouwer zelf wordt gecompenseerd door hem een forfaitaire aftrek van omzetbelasting toe te staan. De tweede mogelijkheid is dat de afnemer van de landbouwer de forfaitair vastgestelde btw-voordruk mag verrekenen. De landbouwer krijgt zijn btw-voordruk als het ware terug van zijn afnemer (doordat hij de voordruk in zijn prijs kan doorberekenen), die de voordruk op zijn beurt terugkrijgt van de belastingdienst. Voor die laatste optie is gekozen in artikel 303, lid 1 en lid 2, van de Btw-richtlijn en artikel 27, lid 4, van de Wet. De regeling houdt in dat als het ware over de landbouwer wordt ‘heengesprongen’ zonder dat dit effect heeft voor de btw-druk in de rest van de bedrijfskolom. Onder de landbouwregeling zijn landbouwers geen omzetbelasting verschuldigd voor de levering van, kort gezegd, zelf als landbouwer voortgebrachte landbouwproducten. Artikel 27, lid 8, van de Wet brengt mee dat van geval tot geval moet worden beoordeeld of de bedrijfsuitoefening van de veehouder samenhangt met de exploitatie van de bodem. In casu is niet in geschil dat belanghebbendes prestaties (de handel in vee) niet onder de landbouwregeling vallen omdat geen sprake is van samenhang met de exploitatie van de bodem. De levering van vee door belanghebbende is dus in beginsel op de normale wijze aan de heffing van omzetbelasting onderworpen. Belanghebbende heeft echter een beroep gedaan op de zogenoemde ‘veehandelregeling’, welke is opgenomen in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 15 juni 2006, nr. CPP2005/3096M (hierna: het Besluit Landbouw). De veehandelregeling is een buitenwettelijke goedkeuring die bewerkstelligt dat ter zake van de levering van vee geen omzetbelasting is verschuldigd op een wijze die sterk lijkt op de forfaitaire regeling voor landbouwproducenten: de landbouwregeling. Op grond van artikel 140 van de Btw-richtlijn verlenen lidstaten vrijstelling voor “de intracommunautaire verwerving van goederen waarvan de levering door belastingplichtigen in ieder geval op hun respectieve grondgebied is vrijgesteld”. Dit is in de Nederlandse wet geïmplementeerd in artikel 17e van de Wet. Belanghebbende heeft de vraag opgeworpen of van onder de veehandelregeling vallende leveringen kan worden gezegd dat deze zijn vrijgesteld in de zin van artikel 17e van de Wet. De A-G merkt op dat de veehandelregeling zo is vormgegeven dat deze voor de betreffende veehandelaar op het eerste gezicht hetzelfde effect lijkt te hebben als een vrijstelling. De leverancier die de veehandelregeling toepast berekent ter zake van leveringen van vee immers geen omzetbelasting en hij kan de aan hem in rekening gebrachte voorbelasting die verband houdt met die leveringen niet in aftrek brengen. Wanneer echter de gehele bedrijfskolom in ogenschouw wordt genomen, wordt duidelijk dat de veehandelregeling niet de werking heeft van een vrijstelling. Anders dan bij een vrijstelling, kan de afnemer van een veehandelaar, ter voorkoming van cumulatie van belasting, immers een forfaitair percentage van de koopsom (in het onderhavige jaar 5,1%) aan voorbelasting in aftrek brengen. De A-G meent dat de veehandelregeling niet heeft te gelden als een vrijstelling in de zin van artikel 17e van de Wet. Omdat de veehandelregeling geen vrijstelling is, kunnen intracommunautaire verwervingen onder dat regime niet vrijgesteld worden op grond van artikel 17e van de Wet. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken