Conclusie A-G Aben 3 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW9987
Vervolgingsuitlevering naar de VS. De Rechtbank heeft, in aanmerking genomen dat in casu bij het bepalen van de duur van de in art. 70 Sr bedoelde verjaringstermijn moet worden uitgegaan van de zwaarste straf die op de gedragingen is gesteld (vgl. HR LJN AF6597), met juistheid geoordeeld dat de verjaringstermijn 12 jaren beloopt, die is aangevangen op de dag na die waarop de feiten zijn begaan. Uit de memorie van toelichting bij art. 72 Sr volgt dat sinds de wetswijziging op 1 januari 2006 de in art. 72 Sr bedoelde daad van vervolging niet meer eerst aan de verdachte behoeft te worden betekend of hem anderszins bekend moet zijn, voordat deze stuitende werking heeft. Voorts werkt de stuiting blijkens art. 72.1 Sr ook t.a.v. anderen dan de vervolgde. Daardoor heeft de stuiting ook effect jegens andere deelnemers aan het strafbare feit, ook al zijn zij ten tijde van de stuiting nog niet bekend. Gelet hierop geeft het oordeel van de Rechtbank dat de "criminal indictment" van 25 maart 2009 in het onderhavige geval moet worden aangemerkt als een daad van vervolging in de zin van art. 72.1 Sr, dat deze "criminal indictment" de verjaring heeft gestuit en een nieuwe verjaringstermijn van twaalf jaren heeft doen ingaan en dat derhalve slechts wat betreft de feiten die vóór 25 maart 1997 zouden zijn begaan, het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan in het middel wordt betoogd, doet hieraan niet af dat in die "criminal indictment" de opgeëiste persoon nog niet als verdachte is aangemerkt, aangezien ook een eerdere daad van vervolging die tegen een ander dan de opgeëiste persoon was gericht, de verjaring van het recht tot strafvordering jegens de opgeëiste persoon stuit.
De uitspraak op rechtspraak.nl