Art. 211 Mijnreglement 1964, De luchtverversing in de ondergrondse werken
1. Op alle werkpunten en in alle andere voor personen toegankelijke gedeelten van de ondergrondse werken, die niet voldoende door de doorgaande luchtstroom van verse lucht worden voorzien, moet een doelmatige secundaire luchtverversing tot stand worden gebracht.
2. Opzettelijke onderbreking van de secundaire luchtverversing mag slechts plaats vinden op last van de ter plaatse verantwoordelijke toezichthoudende persoon en onder het nemen van doelmatige maatregelen.
3. Niet-opzettelijke onderbreking van de secundaire luchtverversing moet onmiddellijk aan de ter plaatse verantwoordelijke toezichthoudende persoon worden gemeld. Deze moet onverwijld doelmatige maatregelen nemen.