Art. 32 PSW
Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW)
1. Vervallen.
2. Overdracht, inpandgeving of elke andere handeling, waardoor de deelnemer of gewezen deelnemer enig recht op zijn pensioen of zijn aanspraak op pensioen aan een ander toekent, anders dan het verlenen van zekerheid voor het verkrijgen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 is slechts geldig voor zover beslag op zijn pensioen geldig zou zijn bij ontbreken van andere inkomsten.
3. Volmacht tot invordering van het pensioen, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
4. Onverminderd het bepaalde in het vijfde lid, de artikelen 32a en 32b en het bepaalde krachtens artikel 2, vierde lid, kan pensioen of een aanspraak op pensioen slechts worden afgekocht in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen.
5. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid heeft zowel het pensioenfonds of de verzekeraar zonder toestemming van de rechthebbende, als de rechthebbende zonder toestemming van het pensioenfonds of de verzekeraar het recht tot afkoop van het pensioen, indien het pensioen op het tijdstip van ingang een bedrag van € 332,29 per 1 januari 2006: € 361,02 per jaar niet te boven gaat. De afkoopsom wordt ter hand gesteld van de rechthebbende. In het geval de rechthebbende zich in het buitenland heeft gevestigd geldt voor het in de eerste volzin genoemde bedrag het tweevoudige en is het pensioenfonds of de verzekeraar op verzoek van de rechthebbende verplicht voor het tijdstip van ingang aanspraken op pensioen af te kopen indien op het tijdstip van afkoop de hoogte van de pensioenaanspraak het tweevoudige van het in de eerste volzin genoemde bedrag niet te boven gaat.
6. Het bedrag, genoemd in het vorige lid, wordt bij ministeriële regeling telkens herzien met ingang van 1 januari met hetzelfde percentage waarmee de consumentenprijsindex Alle Huishoudens, zoals dat wordt berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek, over de maand oktober daaraan voorafgaande naar boven of beneden afwijkt van die index over de maand oktober van het jaar voorafgaande aan de eerstgenoemde maand oktober.
7. De afkoopsom, bedoeld in het vierde en vijfde lid, is voor mannen en vrouwen gelijk.
8. Elk beding, strijdig met een der voorgaande leden, is nietig.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het zevende lid.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3423
- HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR4559
- HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9268
- Conclusie A-G VAN BALLEGOOIJEN 23 maart 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BR4559
- Rb. Zutphen 20 augustus 2008, ECLI:NL:RBZUT:2008:BF6804
- Rb. 's-Gravenhage 24 oktober 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BP3008
- Rb. Maastricht 24 januari 2007, ECLI:NL:RBMAA:2007:BA6172
- Rb. Maastricht 27 september 2006, ECLI:NL:RBMAA:2006:AZ9770
- Rb. Haarlem 13 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6525
- Conclusie A-G Niessen 3 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1052
- Conclusie A-G VAN BALLEGOOIJEN 26 november 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM9268
- Conclusie A-G Timmerman 5 september 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD3423
- Conclusie A-G Langemeijer 15 december 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AZ2225
- Conclusie A-G Bakels 21 september 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZC3653
- Conclusie A-G Van den Berge 22 november 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA8425
- Conclusie A-G Mok 11 februari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4780
- HR 21 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3653
- Hof 's-Hertogenbosch 14 juli 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BT8242
- Hof 's-Hertogenbosch 3 maart 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH4945
- Hof 's-Hertogenbosch 7 oktober 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BG1432