Conclusie A-G Niessen 3 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1052

A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 12/05924. Aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) zijn aanslagen in de inkomstenbelasting / premie volksverzekering (hierna: IB/PVV) opgelegd voor de jaren 2005 en 2006. Er volgt bezwaar, beroep en hoger beroep. Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door belanghebbende beoogde toedeling van een deel van zijn pensioenrechten aan zijn echtgenote tot gevolg heeft dat dit deel onder artikel 2.17 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) niet bij hem, maar bij zijn echtgenote belast wordt, met een progressievoordeel tot resultaat. De Hoge Raad heeft los van de civielrechtelijke aspecten voor de toepassing van artikel 5, aanhef en onderdeel b, Wet IB 1964 beslist dat de uitkeringen uit hoofde van ‘het pensioen, dat door de belanghebbende is verkregen ter zake van door hem in het verleden verrichte arbeid’, ook al zou het pensioen geheel of gedeeltelijk zijn overgedragen, tot het persoonlijke inkomen van de oud-werknemer blijven behoren. Bij de totstandkoming van de Wet IB 2001 heeft de wetgever door middel van het bepaalde in artikel 2.17 beoogd de zogenoemde individualisering van de inkomenstoerekening van echtgenoten verder te versterken. Op geen enkele wijze blijkt dat de wetgever daarmee het eerdergenoemde oordeel van de Hoge Raad, dat berust op oudere parlementaire geschiedenis, zou willen repareren. Het Hof heeft derhalve terecht geoordeeld dat de onderhavige uitkeringen, die voortvloeien uit door belanghebbende in het verleden uit arbeid verkregen aanspraken, door belanghebbende zijn genoten, aldus de A-G. Voor zover belanghebbende erover klaagt dat hij als gehuwde ongelijk wordt behandeld in vergelijking met ongehuwden, gaat de klacht alleen al niet op om de reden dat gehuwden en ongehuwden feitelijk en rechtens in ongelijke situatie verkeren. Het tweede middel slaagt evenmin, aangezien ’s Hofs feitelijke oordeel dat de Inspecteur door bij gebreke aan een ‘nieuw feit’ voor de jaren 2002 t/m 2004 niet na te vorderen, niet bewust een standpunt heeft ingenomen dat vertrouwen zou hebben gewekt, niet onbegrijpelijk is en voldoende gemotiveerd zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken