Art. 36 WED, Van de afdoening buiten geding
Wet op de economische delicten (WED)
1. Bij toepassing van artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering kan tevens de aanwijzing worden gegeven dat wordt verricht hetgeen wederrechtelijk is nagelaten, tenietgedaan hetgeen wederrechtelijk is verricht en dat prestaties tot het goedmaken van een en ander worden verricht, alles op kosten van de verdachte, voor zover niet anders wordt bepaald.
2. Indien de verdachte een rechtspersoon is, behoeft deze, in afwijking van artikel 257c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, slechts onder bijstand van een raadsman te worden gehoord als de strafbeschikking betalingsverplichtingen uit hoofde van geldboete en schadevergoedingsmaatregel bevat welke afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen dan € 10 000.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:457
- HR 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:268
- Conclusie A-G Spronken 16 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:53
- Rb. Utrecht 17 maart 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM1318
- Rb. Rotterdam 26 september 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:11018
- Conclusie A-G Harteveld 18 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:625
- HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1154