HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1154

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag (€ 101.730) onder ander dan klager op Schiphol t.z.v. verdenking van witwassen, waarna die ander transactie-aanbod ex art. 74 Sr accepteert waarbij hij afstand doet van geldbedrag en Rb de klager ex art. 552a.3 Sv niet-ontvankelijk verklaart omdat klaagschrift niet binnen 3 maanden na einde zaak is ingediend. Had Rb klaagschrift moeten opvatten als klaagschrift ex art. 552ab (oud) Sv? Rb heeft klaagschrift dat strekt tot teruggave van het onder ander inbeslaggenomen geldbedrag aan klager opgevat als klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv. Dat oordeel is onjuist nu, mede gelet op schriftelijk standpunt OM, ervan moet worden uitgegaan dat doen van afstand van dit geldbedrag onderdeel is van een ex art. 74 Sr tussen de ander en OvJ afgesloten transactie om strafvervolging te voorkomen. Uit art. 552ab Sv, zoals dat luidde tot i.w.tr. Wet OM-afdoening, jo. overgangsbepaling in art. XI van die wet, volgt dat art. 552ab Sv ook in gevallen als deze van toepassing is gebleven (vgl. HR:2022:457). Dat brengt met zich dat Rb klaagschrift had moeten opvatten als klaagschrift in zin van die bepaling. Termijn voor indienen van zo’n klaagschrift is niet later dan 3 maanden nadat (gewezen) verdachte of veroordeelde heeft voldaan aan gestelde voorwaarden van transactie om strafvervolging te voorkomen, dan wel klager daarmee bekend is geworden. Bij oordeel over ontvankelijkheid van klaagschrift moet rechter daarom ambtshalve onderzoeken of sprake is van omstandigheid waaruit de in art. 552ab Sv bedoelde bekendheid voortvloeit. Rb heeft vastgesteld op welke datum de ander als verdachte aan voorwaarden van transactie heeft voldaan maar Rb heeft niet doen blijken te hebben onderzocht op welk moment klager daarmee bekend is geworden. Rb heeft daarom beklag op ontoereikende gronden n-o verklaard. Volgt vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken