HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:457

Beklag, beslag op auto onder zoon van klaagster t.z.v. verdenking van witwassen en vuurwapenbezit, waarna zoon transactie-aanbod ex art. 74 Sr accepteert waarbij hij afstand doet van auto. 1. Heeft Rb miskend dat sprake is van klaagschrift a.b.i. art. 552ab Sv? 2. Beslissingskader beklag a.b.i. art. 552ab Sv. Is niet aannemelijk geworden dat klaagster redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt? Ad 1. Rb heeft klaagschrift opgevat als klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv. Dat oordeel is onjuist nu auto onderdeel is van transactie a.b.i. art. 74 Sr tussen zoon van klaagster en OvJ en dan is art. 552ab Sv van toepassing. Slagende klacht leidt niet tot cassatie. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BL2823, inhoudende dat rechter bij beoordeling van klaagschrift a.b.i. in art. 552ab Sv van belanghebbende die stelt dat inbeslaggenomen voorwerp hem toekomt, beoordelen of die belanghebbende redelijkerwijs als rechthebbende t.a.v. dat voorwerp kan worden aangemerkt. Oordeel rechtbank dat niet aannemelijk is dat klaagster redelijkerwijs als rechthebbende van auto kan worden aangemerkt o.g.v. enkele stelling dat zij auto heeft gefinancierd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk, mede gelet op door Rb vastgestelde gang van zaken bij aankoop van auto. Nu Rb aldus bij beoordeling van klaagschrift de juiste maatstaf heeft toegepast, heeft klaagster onvoldoende belang bij haar klacht dat Rb heeft miskend dat sprake was van klaagschrift a.b.i. art. 552ab Sv. Volgt verwerping. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken