HR 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:268

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto en geldbedrag (€ 249.700) onder ander dan klagers t.z.v. verdenking van witwassen, waarna die ander transactie-aanbod ex art. 74 Sr accepteert waarbij hij afstand doet van auto en geldbedrag en Rb de klagers niet-ontvankelijk verklaart omdat klaagschrift niet binnen drie maanden na einde zaak is ingediend. Heeft Rb miskend dat sprake is van klaagschrift a.b.i. art. 552ab Sv? Rb heeft klaagschrift dat strekt tot teruggave van auto en geldbedrag aan klagers, opgevat als klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv. Dat oordeel is onjuist nu Rb ervan is uitgegaan dat auto en geldbedrag onderdeel zijn van een ex art. 74 Sr tussen ander en OvJ afgesloten transactie om strafvervolging te voorkomen. Uit art. 552ab Sv, zoals dat luidde tot inwerkingtreding van Wet OM-afdoening, jo. overgangsbepaling in art. XI van die wet, volgt dat art. 552ab Sv ook in gevallen als dit van toepassing is gebleven (vgl. HR:2022:457). Dat brengt met zich dat Rb klaagschrift had moeten opvatten als klaagschrift in de zin van die bepaling. Termijn voor indienen van zo’n klaagschrift is niet later dan drie maanden nadat (gewezen) verdachte of veroordeelde heeft voldaan aan gestelde voorwaarden van transactie om strafvervolging te voorkomen, dan wel klager daarmee bekend is geworden. Rb heeft daarom klaagschrift ten onrechte n-o verklaard op de (aan art. 552a Sv ontleende) grond dat het is ingediend op tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sinds vervolgde zaak tot eind is gekomen. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/01407 B.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken