Art. 238 Fw, Van de verlening van surseance van betaling en haar gevolgen
1. Zodra de surseance een aanvang heeft genomen, kan de schuldenaar, die huurder is, met inachtneming van het bij artikel 228 bepaalde, de huur tussentijds doen eindigen, mits de opzegging geschiede tegen een tijdstip, waarop dergelijke overeenkomsten naar plaatselijk gebruik eindigen. Bovendien moet bij de opzegging de daarvoor overeengekomen of gebruikelijke termijn in acht genomen worden, met dien verstande echter, dat een termijn van drie maanden in elk geval voldoende zal zijn. Zijn de huurpenningen vooruit betaald, dan kan de huur niet eerder worden opgezegd dan tegen de dag, waarop de termijn, waarvoor vooruitbetaling heeft plaats gehad, eindigt.
2. Van de aanvang der surseance af is de huurprijs boedelschuld.
3. Indien de schuldenaar pachter is, vindt het bovenstaande overeenkomstige toepassing.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3534
- HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1994
- Hof 's-Hertogenbosch 16 augustus 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BS8956
- Rb. Noord-Nederland 29 april 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:3656
- Rb. Amsterdam 19 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:909
- Rb. Amsterdam 24 september 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4615
- Hof Amsterdam 23 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1071
- Rb. 's-Hertogenbosch 20 oktober 2010, ECLI:NL:RBSHE:2010:BO1291
- Rb. Rotterdam 17 november 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BO5101
- Rb. Midden-Nederland 26 september 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4598
- Rb. Amsterdam 21 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4022
- Conclusie A-G van Peursem 5 december 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2274
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 14 januari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO3534
- Conclusie A-G Hartkamp 13 mei 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT2650
- Hof 's-Gravenhage 30 maart 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA1987
- Hof Amsterdam 25 januari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:124