Art. 447 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Van executoriaal beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
1. Op de volgende roerende zaken mag geen beslag worden gelegd:
a. zaken die behoren tot de inboedel, bedoeld in artikel 5 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, van de door de schuldenaar bewoonde woning;
b. de kleding van de schuldenaar en van de tot zijn gezin behorende huisgenoten;
c. de in de woning aanwezige voorraad levensmiddelen;
d. zaken die de schuldenaar en de tot zijn gezin behorende huisgenoten redelijkerwijs nodig hebben voor de persoonlijke verzorging en de algemene dagelijkse levensbehoeften;
e. de in de woonruimte aanwezige zaken die de schuldenaar en de tot zijn gezin behorende huisgenoten redelijkerwijs nodig hebben voor de verwerving van de noodzakelijke middelen van bestaan, dan wel voor hun scholing of studie;
f. zaken van hoogstpersoonlijke aard;
g. gezelschapsdieren van de schuldenaar en van de tot zijn gezin behorende huisgenoten, alsmede de voor de verzorging van deze dieren noodzakelijke zaken.
2. In afwijking van het eerste lid is beslag wel toegestaan op de in het lid onder a tot en met f genoemde zaken die in de gegeven omstandigheden bovenmatig zijn. Bij algemene maatregel van bestuur kan nader worden bepaald welke zaken, hetzij afzonderlijk, hetzij door de aanwezigheid van andere, al dan niet gelijksoortige zaken, als bovenmatig zijn aan te merken. Daarbij kan voor bepaalde zaken of categorieën van zaken worden bepaald tot welke waarde bovenmatigheid niet wordt aangenomen.
3. Indien beslag wordt gelegd op een bovenmatige zaak die de geëxecuteerde of de tot zijn gezin behorende huisgenoten redelijkerwijs niet kan missen, stelt de deurwaarder de geëxecuteerde in de gelegenheid om de bovenmatige zaak te vervangen door een niet als bovenmatig aan te merken vergelijkbare zaak.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere dan de in het eerste lid bedoelde roerende zaken worden aangewezen waarop geen beslag mag worden gelegd.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Noord-Holland 16 maart 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:2066
- Conclusie A-G Huydecoper 29 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP4504
- Hof Leeuwarden 20 april 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BM2233
- Hof Amsterdam 20 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5515
- Rb. Zutphen 16 augustus 2007, ECLI:NL:RBZUT:2007:BB7227
- Rb. Zutphen 8 april 2005, ECLI:NL:RBZUT:2005:AT7004
- Rb. 's-Gravenhage 29 november 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9260
- Rb. Rotterdam 30 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:12942
- Rb. Rotterdam 27 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:10477
- Rb. Rotterdam 13 januari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:298
- Rb. Rotterdam 21 januari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1900
- Rb. Rotterdam 15 oktober 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:10343
- Rb. Rotterdam 9 september 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BT2399
- Rb. Overijssel 5 oktober 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:4540
- Rb. Overijssel 28 november 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:3073
- Rb. Noord-Nederland 7 juni 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:1810
- Rb. Noord-Holland 13 februari 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:1428
- Rb. Noord-Holland 1 december 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:11364
- Rb. Midden-Nederland 26 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1816
- Rb. Midden-Nederland 4 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1164