Rb. Rotterdam 30 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:12942
Kort geding. Executiegeschil. Eiser eist schorsing van de tenuitvoerlegging van een eerdere vonnis totdat zijn hoger beroep dient, omdat hij met een bijstandsuitkering onder het bestaansminimum zou raken en zijn zieke moeder hieronder zou lijden. De kantonrechter wijst de vordering echter af en oordeelt dat het eerdere vonnis direct uitvoerbaar is en dat er geen sprake is van een juridische fout of acute noodtoestand. Dat gedaagde is overgegaan tot inning van de schuld is het gevolg van de eigen weigering van gedaagde om vooraf inzicht te geven in zijn financiën. Bovendien beschermt de wettelijke beslagvrije voet zijn bestaansminimum en garandeert de wet dat er geen beslag wordt gelegd op de inboedel van zijn moeder.
De uitspraak op rechtspraak.nl