Art. 26 Verordening (EU) 2024/1620, Gedwongen betaling van geldboeten en dwangsommen en toewijzing van de bedragen van die sancties en betalingen
1. Op grond van de artikelen 22 en 23 opgelegde geldboeten en dwangsommen zijn afdwingbaar.
De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de lidstaat op het grondgebied waarvan zij plaatsvindt. Het bevel tot tenuitvoerlegging wordt gehecht aan het besluit tot oplegging van geldboeten of dwangsommen op grond van de artikelen 22 en 23, zonder verdere formaliteiten anders dan de verificatie van de authenticiteit van het besluit door de autoriteit die daartoe door de regering van elke lidstaat wordt aangewezen en die door die regering als zodanig wordt bekendgemaakt bij de autoriteit en het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Nadat die formaliteiten op verzoek van de betreffende partij zijn vervuld, kan die partij overgaan tot tenuitvoerlegging volgens het nationale recht door zich met de kwestie rechtstreeks te wenden tot de bevoegde instantie.
De tenuitvoerlegging kan alleen worden geschorst krachtens een beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het toezicht op de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging behoort evenwel tot de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de betrokken lidstaat.
2. De opgehaalde bedragen van de geldboeten en de dwangsommen worden toegewezen aan de algemene begroting van de Unie.