Art. 13 Verordening (EU) 2024/1252, Planning
1. De nationale, regionale en lokale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van plannen, waaronder bestemmingsplannen en plannen voor ruimtelijke ordening en landgebruik, overwegen daar in voorkomend geval bepalingen voor de ontwikkeling van projecten inzake kritieke grondstoffen in op te nemen. Bij de overweging om dergelijke bepalingen op te nemen, wordt voorrang gegeven aan kunstmatige en bebouwde oppervlakken, industriële locaties, brownfields, en actieve of verlaten mijnen, waaronder, indien passend, in kaart gebrachte minerale afzettingen.
2. Indien plannen met bepalingen voor de ontwikkeling van projecten inzake kritieke grondstoffen zowel overeenkomstig Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (40) als overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG moeten worden beoordeeld, worden die beoordelingen gecombineerd. In de gecombineerde beoordeling wordt in voorkomend geval ook ingegaan op de effecten op mogelijk getroffen waterlichamen als bedoeld in Richtlijn 2000/60/EG. Indien bepaalde lidstaten de effecten van huidige en toekomstige activiteiten op het mariene milieu, met inbegrip van de wisselwerking tussen land en zee als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad (41), moeten beoordelen, heeft de gecombineerde beoordeling ook betrekking op die effecten.