Art. 16 Verordening (EU) 2021/267, Verlenging van de in Verordening (EG) nr. 725/2004 vastgestelde termijnen

Verordening (EU) 2021/267

1. Niettegenstaande artikel 3, lid 6, van Verordening (EG) nr. 725/2004 worden de termijnen voor het uitvoeren van de periodieke herziening van beoordelingen van de veiligheid van de havenfaciliteiten die overeenkomstig die bepaling anders zouden zijn verstreken of zouden verstrijken tussen 1 september 2020 en 30 juni 2021, geacht te worden of te zijn verlengd tot en met 30 september 2021.

2. Niettegenstaande de punten 13.7 en 18.6 van deel B van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 725/2004 wordt de termijn van 18 maanden voor de uitvoering van de verschillende soorten oefeningen die overeenkomstig die bepalingen anders zou zijn verstreken of zou verstrijken tussen 1 september 2020 en 30 juni 2021, telkens geacht te worden of te zijn verlengd met tien maanden, maar hoe dan ook niet tot na 30 september 2021.

3. Als een lidstaat van oordeel is dat de in artikel 3, lid 6, van Verordening (EG) nr. 725/2004 bedoelde beoordelingen van de veiligheid van de havenfaciliteiten of het uitvoeren van de verschillende soorten oefeningen als bedoeld in de punten 13.7 en 18.6 van deel B van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 725/2004, waarschijnlijk tot na 30 juni 2021 onmogelijk zullen blijven door de maatregelen die hij heeft genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kan hij een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd de in de leden 1 en 2 van dit artikel genoemde perioden en uiterste termijnen, naargelang het geval, te verlengen. Dat verzoek kan betrekking hebben op de periode tussen 1 september 2020 en 30 juni 2021, de uiterste termijnen of de periode van tien maanden vermeld in respectievelijk lid 1 en lid 2 van dit artikel, of een combinatie daarvan. Verzoeken moeten uiterlijk 31 mei 2021 bij de Commissie worden ingediend.

4. Als de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 3 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan en dat de gevraagde verlenging geen onevenredige risico’s inhoudt voor de veiligheid en de beveiliging van het vervoer, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de respectievelijk in de leden 1 en 2 genoemde perioden en uiterste termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt ter weerspiegeling van de periode waarin beoordelingen van de veiligheid van de havenfaciliteiten of de uitvoering van de verschillende soorten oefeningen naar verwachting onmogelijk zullen blijven, en mag in geen geval langer zijn dan zes maanden.

De Commissie maakt dat besluit bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5. Als een lidstaat geen moeilijkheden heeft ondervonden en naar verwachting geen moeilijkheden zal ondervinden die de in artikel 3, lid 6, van Verordening (EG) nr. 725/2004 bedoelde beoordelingen van de veiligheid van de havenfaciliteiten of de uitvoering van de verschillende soorten oefeningen als bedoeld in de punten 13.7 en 18.6 van deel B van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 725/2004 tijdens de periode tussen 1 september 2020 en 30 juni 2021 onmogelijk maken als gevolg van de door het voortduren van de COVID-19-crisis veroorzaakte buitengewone omstandigheden, of passende nationale maatregelen heeft genomen om dergelijke moeilijkheden te beperken, kan die lidstaat besluiten de leden 1 en 2 van dit artikel niet toe te passen. De lidstaat stelt de Commissie uiterlijk op 3 maart 2021 in kennis van zijn besluit. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis en publiceert een kennisgeving in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Vorige artikelen

Volgende artikelen