Art. 10 Verordening (EU) 2019/1753, Verhouding tot merken
1. De bescherming van een geografische aanduiding doet geen afbreuk aan de geldigheid van een ouder merk op Unie-, regionaal of nationaal niveau dat te goeder trouw is aangevraagd of ingeschreven, of waarvoor rechten zijn verworven door gebruik te goeder trouw op het grondgebied van een lidstaat, een regionale unie van lidstaten, of de Unie.
2. Een in het internationaal register ingeschreven geografische aanduiding wordt niet beschermd op het grondgebied van de Unie wanneer de bescherming van die geografische aanduiding op het grondgebied van de Unie, rekening houdend met de faam en de bekendheid van een merk en met de tijd dat het reeds in gebruik is, de consument kan misleiden aangaande de ware identiteit van het product.
3. Onverminderd lid 2 geldt dat een merk dat vóór de datum waarop het internationaal bureau de Commissie van de bekendmaking van de internationale inschrijving van de geografische aanduiding in kennis heeft gesteld, te goeder trouw op het grondgebied van een lidstaat, regionale unie van lidstaten of de Unie is aangevraagd of ingeschreven, of waarop, mits het toepasselijke recht die mogelijkheid kent, te goeder trouw door gebruik rechten zijn verworven, en waarvan het gebruik tegen de bescherming van de geografische aanduiding zou indruisen, verder mag worden gebruikt en verlengd voor het betrokken product, niettegenstaande de bescherming van de geografische aanduiding en op voorwaarde dat er geen gronden zijn om het merk krachtens Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad (9) of op grond van Richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad (10) nietig of vervallen te verklaren. In dergelijke gevallen is zowel het gebruik van de geografische aanduiding als het gebruik van het betreffende merk toegestaan.