Art. 4 Verordening (EU) 2019/472, Streefdoelen
1. Het streefdoel voor visserijsterfte binnen de FMDO-bandbreedtes zoals gedefinieerd in artikel 2, wordt voor de in artikel 1, lid 1, genoemde bestanden zo spoedig mogelijk en, geleidelijk toenemend, uiterlijk in 2020 bereikt en wordt van dan af in overeenstemming met dit artikel gehandhaafd binnen de FMDO-bandbreedtes.
2. Met name de ICES of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau wordt verzocht de FMDO-bandbreedtes op basis van dit plan te verstrekken.
3. Wanneer de Raad overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de vangstmogelijkheden voor een bestand vaststelt, stelt hij die mogelijkheden vast binnen de lagere FMDO-bandbreedte die op dat moment beschikbaar is voor dat bestand.
4. Niettegenstaande de leden 1 en 3 kunnen de vangstmogelijkheden voor een bestand worden vastgesteld op een niveau dat lager ligt dan de FMDO-bandbreedte.
5. Niettegenstaande de leden 3 en 4 kunnen de vangstmogelijkheden voor een in artikel 1, lid 1, genoemd bestand worden vastgesteld binnen de hogere FMDO-bandbreedte die op dat moment beschikbaar is voor dat bestand, mits dat bestand zich boven MDO Btrigger bevindt:
a) indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserij;
b) indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te beperken, of
c) om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.
6. Wanneer voor een in artikel 1, lid 1, genoemd bestand wegens een gebrek aan adequate wetenschappelijke informatie geen FMDO-bandbreedtes kunnen worden vastgesteld, wordt dat bestand beheerd overeenkomstig artikel 5 totdat overeenkomstig lid 2 van dit artikel FMDO-bandbreedtes beschikbaar zijn.
7. De vangstmogelijkheden worden in elk geval zodanig vastgesteld dat de waarschijnlijkheid dat de paaibiomassa onder Blim belandt, minder dan 5 % bedraagt.