Art. 8 Verordening (EU) 2019/472, Vrijwaringsmaatregelen
1. Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden voor een bepaald jaar lager is dan MDO Btrigger, worden alle passende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder worden de vangstmogelijkheden, niettegenstaande artikel 4, lid 3, vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht tot een waarde onder de hogere FMDO-bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa.
2. Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden lager is dan Blim, worden aanvullende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen die herstelmaatregelen, niettegenstaande artikel 4, lid 3, inhouden dat de gerichte visserij op het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid wordt opgeschort en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.
3. De in dit artikel bedoelde herstelmaatregelen kunnen onder meer bestaan in:
a) noodmaatregelen overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013;
b) maatregelen krachtens artikel 9 van de onderhavige verordening.
4. Bij het bepalen van de keuze van de in dit artikel bedoelde maatregelen wordt rekening gehouden met de aard, de ernst, de duur en de herhaling van de situatie waarin de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, zich onder de in artikel 7 bedoelde niveaus bevindt.