Art. 7 Verordening (EU) 2018/1046, Toepassingsgebied van de begroting
1. Voor elk begrotingsjaar worden alle noodzakelijk geachte ontvangsten en uitgaven van de Unie in de begroting geraamd en goedgekeurd. Hierin worden opgenomen:
a) de uitgaven en de ontvangsten van de Unie, met inbegrip van de administratieve uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van de bepalingen van het VEU op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), alsmede beleidsuitgaven die uit de uitvoering van die bepalingen voortvloeien wanneer deze ten laste van de begroting komen;
b) de ontvangsten en de uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.
2. De begroting bevat gesplitste kredieten, die aanleiding geven tot vastleggingskredieten en betalingskredieten, en niet-gesplitste kredieten.
De kredieten die voor het begrotingsjaar zijn toegestaan, bestaan uit:
a) de in de begroting, met inbegrip van de gewijzigde begrotingen, opgenomen kredieten;
b) de overgedragen kredieten uit voorgaande begrotingsjaren;
c) de kredieten die overeenkomstig artikel 15 worden wederopgevoerd;
d) de kredieten die afkomstig zijn van terugbetalingen van voorfinancieringen overeenkomstig artikel 12, lid 4, onder b);
e) de kredieten die worden opgenomen na de inning van de bestemmingsontvangsten tijdens het begrotingsjaar of van bestemmingsontvangsten die zijn overgedragen uit voorgaande begrotingsjaren.
3. Vastleggingskredieten dekken de totale kosten van de juridische verbintenissen die tijdens het begrotingsjaar worden aangegaan, behoudens het bepaalde in artikel 114, lid 2.
4. Betalingskredieten dekken de betalingen die voortvloeien uit de uitvoering van de juridische verbintenissen die in het begrotingsjaar of voorgaande begrotingsjaren zijn aangegaan.
5. De leden 2 en 3 van dit artikel doen niets af aan de mogelijkheid kredieten globaal vast te leggen of vastleggingen in de begroting in jaartranches te verdelen, zoals bepaald in artikel 112, lid 1, eerste alinea, onder b), respectievelijk artikel 112, lid 2.