Art. 33 Verordening (EU) 2017/2403, Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen
1. De Commissie mag enkel een machtiging aan een vissersvaartuig van een derde land voor visserijactiviteiten in de wateren van de Unie afgeven indien:
a) er een overschot aan toegestane vangst is dat de voorgestelde vangstmogelijkheden dekt, zoals voorgeschreven door artikel 62, leden 2 en 3, van Unclos;
b) voldaan is aan de voorwaarden van de betreffende visserijovereenkomst en het vissersvaartuig op grond van de visserijovereenkomst met het betrokken derde land in aanmerking komt en, in voorkomend geval, is opgenomen op de lijst van vaartuigen in het kader van die overeenkomst;
c) de uit hoofde van de overeenkomst vereiste informatie over het vissersvaartuig en het bijbehorende ondersteuningsvaartuig (de bijbehorende ondersteuningsvaartuigen) volledig en accuraat is, en het vaartuig en elk bijbehorend ondersteuningsvaartuig een IMO-nummer hebben, indien het Unierecht dat vereist;
d) het vissersvaartuig niet is opgenomen in een door een ROVB en/of de Unie krachtens de IOO-verordening vastgestelde lijst van IOO-vaartuigen;
e) het derde land niet krachtens de IOO-verordening op een lijst van niet-meewerkende landen is geplaatst en niet krachtens Verordening (EU) nr. 1026/2012 op een lijst van landen die niet-duurzame visserij toelaten is geplaatst.
2. Lid 1, onder a), is niet van toepassing op vaartuigen van derde landen die visserijactiviteiten verrichten uit hoofde van een overeenkomst inzake de uitwisseling van vangstmogelijkheden of het gezamenlijk beheer van visbestanden van gemeenschappelijk belang.