Art. 32 Verordening (EU) 2017/2403, Algemene beginselen
1. Een vissersvaartuig van een derde land verricht geen visserijactiviteiten in de wateren van de Unie tenzij het een vismachtiging van de Commissie heeft ontvangen. Een dergelijk vaartuig krijgt de machtiging in kwestie alleen indien het de in artikel 5 vastgestelde machtigingscriteria vervult.
2. Een vaartuig van een derde land dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie te vissen, houdt zich aan de regels die van toepassing zijn op de visserijactiviteiten van Unievaartuigen in het visserijgebied waar het actief is. Wanneer de in de betreffende visserijovereenkomst vastgestelde bepalingen van deze regels verschillen, moeten deze bepalingen expliciet worden vermeld, ofwel in de overeenkomst zelf, ofwel via met het derde land afgesproken regels ter uitvoering van de overeenkomst.
3. Indien een vissersvaartuig van een derde land in de wateren van de Unie vaart zonder een in het kader van deze verordening afgegeven machtiging, is zijn vistuig vastgemaakt en opgeborgen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 47 van de controleverordening, zodat het niet meteen voor visserijactiviteiten kan worden gebruikt.