Art. 35 Verordening (EU) 2017/1485, Behandeling van uitvalsituaties
1. Elke TSB beoordeelt de met de uitvalsituaties samenhangende risico's door elke uitvalsituatie uit zijn lijst van uitvalsituaties te simuleren en te beoordelen of hij daarbij zijn transmissiesysteem binnen de operationeleveiligheidsgrenzen in de N-1-situatie kan houden.
2. Wanneer een TSB van oordeel is dat de risico's van een uitvalsituatie dermate groot zijn dat hij mogelijk niet in staat is om tijdig remediërende maatregelen op te stellen en uit te voeren om niet-naleving van het N-1-criterium te voorkomen, of dat het risico bestaat dat de storing zich verspreidt naar het geïnterconnecteerde transmissiesysteem, dan stelt de TSB remediërende maatregelen op en voert hij deze uit om zo spoedig mogelijk aan het N-1-criterium te voldoen.
3. In geval van een N-1-situatie die door een storing is veroorzaakt, dient elke TSB een remediërende maatregel te treffen om te waarborgen dat het transmissiesysteem zo spoedig mogelijk terugkeert naar een normale toestand en dat die N-1-situatie de nieuwe N-situatie wordt.
4. Een TSB hoeft in de onderstaande situaties niet aan het N-1-criterium te voldoen:
a) tijdens schakelsequenties;
b) gedurende de tijd die nodig is voor het opstellen en uitvoeren van remediërende maatregelen.
5. Tenzij een lidstaat anderszins besluit, hoeft een TSB niet aan het N-1-criterium te voldoen zolang er uitsluitend sprake is van plaatselijke gevolgen binnen de regelzone van die TSB.