Art. 46 Verordening (EU) 2016/2031, Uitzonderingen op verbodsbepalingen en voorschriften voor grensgebieden

Verordening (EU) 2016/2031

1. In afwijking van artikel 40, lid 1, artikel 41, lid 1 en artikel 42, lid 2, mogen de lidstaten toestemming verlenen voor het binnenbrengen op het grondgebied van de Unie van planten, plantaardige producten en andere materialen die aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a) zij worden geteeld of geproduceerd in gebieden in derde landen die in de nabijheid van de landgrens met een lidstaat zijn gelegen („grensgebieden van derde landen”);

b) zij worden binnengebracht in gebieden in lidstaten die onmiddellijk aan de andere kant van die grens zijn gelegen („grensgebieden van lidstaten”);

c) zij worden in deze grensgebieden van lidstaten onderworpen aan een zodanige verwerking dat er geen enkel risico op plaagorganismen meer bestaat;

d) zij brengen geen enkel risico met zich mee op verspreiding van EU-quarantaineorganismen of plaagorganismen die onderworpen zijn aan krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen wanneer zij binnen het grensgebied in het verkeer zijn.

Die planten, plantaardige producten en andere materialen worden uitsluitend vervoerd naar en binnen de grensgebieden van lidstaten, en zulks uitsluitend onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit.

2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die aanvulling van deze verordening aanvullen door het vastleggen van:

a) de maximale breedte van de grensgebieden van derde landen en van de grensgebieden van lidstaten, waar nodig specifiek voor bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen;

b) de maximale afstand waarover de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen binnen de grensgebieden van derde landen en de grensgebieden van lidstaten in het verkeer mogen zijn; en

c) de procedures voor het verlenen van toestemming voor het binnenbrengen op en het verkeer binnen de grensgebieden van lidstaten van de in lid 1 van dit artikel bedoelde planten, plantaardige producten en andere materialen.

Deze gebieden moeten breed genoeg zijn om te waarborgen dat het binnenbrengen op en het verkeer binnen het grondgebied van de Unie van die planten, plantaardige producten en andere materialen geen risico's op plaagorganismen voor het grondgebied van de Unie of delen daarvan oplevert.

3. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen specifieke voorwaarden of maatregelen vaststellen met betrekking tot het binnenbrengen van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen in de grensgebieden van lidstaten en bepalen met betrekking tot welke specifieke derde landen dit artikel van toepassing is.

Deze handelingen worden vastgesteld overeenkomstig bijlage II en, in voorkomend geval, rekening houdend met de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en de internationale normen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4. De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten via het in artikel 103 bedoelde elektronisch kennisgevingssysteem ervan in kennis wanneer in strijd met de leden 1, 2 en 3 van dit artikel planten, plantaardige producten of andere materialen zijn binnengebracht in of in het verkeer zijn binnen grensgebieden van lidstaten of grensgebieden van derde landen.

Die kennisgeving wordt ook gericht aan het derde land waaruit de planten, plantaardige producten of andere materialen in het betrokken grensgebied zijn binnengebracht.