Art. 19 Verordening (EU) 2016/2031, Onderzoeken met betrekking tot en wijzigingen van afgebakende gebieden, en opheffing van beperkingen
1. De bevoegde autoriteiten onderzoeken ten minste jaarlijks op gepaste tijdstippen voor elk afgebakend gebied de ontwikkelingen met betrekking tot de aanwezigheid van het betrokken plaagorganisme.
Deze onderzoeken worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 22, lid 2.
2. Wanneer een bevoegde autoriteit, al dan niet naar aanleiding van een in lid 1 bedoeld onderzoek, vaststelt dat het betrokken plaagorganisme in de bufferzone aanwezig is, stelt de betrokken lidstaat de Commissie en de overige lidstaten onmiddellijk hiervan in kennis.
3. De bevoegde autoriteiten wijzigen, in voorkomend geval, op basis van de resultaten van de in lid 1 bedoelde onderzoeken de grenzen van de besmette zones, bufferzones en afgebakende gebieden.
4. De bevoegde autoriteiten kunnen een afgebakend gebied opheffen en de bijbehorende uitroeiingsmaatregelen beëindigen, mits gebleken is dat dat gebied vrij is van plaagorganismen. Zulks is het geval indien aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
a) het in lid 1 bedoelde onderzoek toont aan dat het gebied vrij is bevonden van het betrokken plaagorganisme; en
b) het betrokken plaagorganisme is in dat afgebakend gebied niet aangetroffen gedurende een voldoende lange periode.
5. De betrokken bevoegde autoriteit houdt bij haar besluit over de in lid 3 bedoelde wijzigingen of de in lid 4 bedoelde opheffing van het afgebakende gebied ten minste rekening met de volgende factoren:
a) de biologische eigenschappen van het plaagorganisme en de betrokken vector;
b) de aanwezigheid van waardplanten;
c) de ecoklimatologische omstandigheden; en
d) de kans op slagen van de uitroeiingsmaatregelen.
6. In afwijking van lid 1 van dit artikel is er geen vereiste tot het uitvoeren van jaarlijkse onderzoeken in de besmette zone of afgebakende gebieden die zijn ingesteld voor:
a) plaagorganismen die onderworpen zijn aan uitroeiingsmaatregelen met een looptijd van 8 jaar of langer;
b) plaagorganismen die onderworpen zijn aan inperkingsmaatregelen bedoeld in artikel 28, lid 2.
7. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door een nadere beschrijving van de in lid 6, punt a), van dit artikel en in punt b) van artikel 16 bedoelde plaagorganismen, en van de voorwaarden voor de toepassing van die afwijkingen.