Art. 18 Verordening (EU) 2016/2031, Instelling van afgebakende gebieden
1. Indien het bestaan van een van de in artikel 11, eerste alinea, onder a) en b), bedoelde situaties officieel is bevestigd, stelt de bevoegde autoriteit onmiddellijk een of meer gebieden in, waar de in artikel 17, lid 1, bedoelde uitroeiingsmaatregelen moeten worden genomen („afgebakend gebied”).
Het afgebakend gebied bestaat uit een besmette zone en een bufferzone.
2. De besmette zone omvat, naargelang het geval,
a) alle planten waarvan bekend is dat zij met het betrokken plaagorganisme zijn besmet;
b) alle planten die tekenen of symptomen vertonen die duiden op een mogelijke besmetting met dat plaagorganisme;
c) alle andere planten die mogelijk met dat plaagorganisme zijn of zullen worden besmet, met inbegrip van planten die mogelijk besmet zijn omdat zij gevoelig zijn voor dat plaagorganisme en zich in de nabijheid van besmette planten hebben bevonden of omdat zij, voor zover bekend, uit dezelfde productie als besmette planten stammen of uit besmette planten verkregen zijn;
d) land, bodem, waterlopen en andere elementen die met het betrokken plaagorganisme zijn besmet of mogelijk zijn besmet.
3. De bufferzone grenst aan de besmette zone en omsluit deze.
De omvang ervan is evenredig aan het risico dat het betrokken plaagorganisme zich op natuurlijke wijze of als gevolg van menselijke activiteiten in de besmette zone en de omgeving daarvan buiten de besmette zone verspreidt, en wordt vastgelegd in overeenstemming met de beginselen die zijn vermeld in bijlage II, deel 2.
Wanneer het risico op verspreiding van het plaagorganisme buiten de besmette zone evenwel door natuurlijke of kunstmatige barrières wordt geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt, is het instellen van een bufferzone niet vereist.
4. Wanneer de bevoegde autoriteit na een eerste onderzoek en in het licht van de aard van het plaagorganisme, de plant, het plantaardige product of het ander materiaal in kwestie en de locatie waar dit/deze is aangetroffen, concludeert dat het plaagorganisme onmiddellijk kan worden geëlimineerd, kan zij in afwijking van lid 1 besluiten geen afgebakend gebied in te stellen.
In dat geval voert zij een onderzoek uit om te bepalen of nog meer planten of plantaardige producten zijn besmet. Op basis van dat onderzoek bepaalt de bevoegde autoriteit of er een afgebakend gebied moet worden ingesteld.
5. Wanneer het overeenkomstig de leden 2 en 3 noodzakelijk is dat een afgebakend gebied een deel van het grondgebied van een andere lidstaat bestrijkt, neemt de lidstaat waar het betrokken plaagorganisme is aangetroffen onmiddellijk contact op met de betrokken lidstaat, teneinde die lidstaat in staat te stellen alle passende maatregelen zoals bedoeld in de leden 1 tot en met 4 te nemen.
6. De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten uiterlijk op 30 april van elk jaar in kennis van het aantal en de locatie van de ingestelde afgebakende gebieden, de betrokken plaagorganismen en de gedurende het voorgaande kalenderjaar genomen bijbehorende maatregelen.
Dit lid is van toepassing onverminderd elke verplichting tot kennisgeving van afgebakende gebieden die in de in artikel 104 bedoelde uitvoeringshandelingen wordt neergelegd.