Art. 105 Verordening (EU) 2016/2031, Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Verordening (EU) 2016/2031

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden.

2. De in artikel 6, lid 2, artikel 7, artikel 8, lid 5, artikel 19, lid 7, artikel 21, artikel 32, lid 5, artikel 34, lid 1, artikel 38, artikel 43, lid 2, artikel 46, lid 2, artikel 48, lid 5, artikel 51, artikel 65, lid 4, artikel 71, lid 4, artikel 76, lid 4, artikel 81, lid 2, artikel 83, lid 6, artikel 87, lid 4, artikel 89, lid 2, artikel 96, lid 2, artikel 98, lid 1, artikel 99, lid 1, artikel 100, lid 4, artikel 101, lid 5, en artikel 102, lid 6, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 13 december 2016. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de bevoegdheidsdelegatie als bedoeld in artikel 6, lid 2, artikel 7, artikel 8, lid 5, artikel 19, lid 7, artikel 21, artikel 32, lid 5, artikel 34, lid 1, artikel 38, artikel 43, lid 2, artikel 46, lid 2, artikel 48, lid 5, artikel 51, artikel 65, lid 4, artikel 71, lid 4, artikel 76, lid 4, artikel 81, lid 2, artikel 83, lid 6, artikel 87, lid 4, artikel 89, lid 2, artikel 96, lid 2, artikel 98, lid 1, artikel 99, lid 1, artikel 100, lid 4, artikel 101, lid 5, en artikel 102, lid 6, te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6. Een overeenkomstig artikel 6, lid 2, artikel 7, artikel 8, lid 5, artikel 19, lid 7, artikel 21, artikel 32, lid 5, artikel 34, lid 1,artikel 38, artikel 43, lid 2, artikel 46, lid 2, artikel 48, lid 5, artikel 51, artikel 65, lid 4, artikel 71, lid 4, artikel 76, lid 4, artikel 81, lid 2, artikel 83, lid 6, artikel 87, lid 4, artikel 89, lid 2, artikel 96, lid 2, artikel 98, lid 1, artikel 99, lid 1, artikel 100, lid 4, artikel 101, lid 5, en artikel 102, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Deze termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.