Art. 6 Verordening (EU) 2016/631, Toepassing op elektriciteitsproductie-eenheden, elektriciteitsproductie-eenheden met pompopslag, warmtekrachtinstallaties en industriële locaties
1. Offshore elektriciteitsproductie-eenheden die met het geïnterconnecteerde systeem zijn verbonden, voldoen aan de eisen voor onshore elektriciteitsproductie-eenheden, tenzij de eisen voor dat doel zijn gewijzigd door de relevante systeembeheerder of tenzij de power park modules op het net worden aangesloten via een hoogspanningsgelijkstroomverbinding of via een netwerk waarvan de frequentie niet op synchrone wijze is gekoppeld aan die van het geïnterconnecteerde hoofdsysteem (zoals via een back-to-back-convertorconfiguratie).
2. Elektriciteitsproductie-eenheden met pompopslag voldoen aan alle relevante eisen, zowel in elektriciteitsproductie- als in pompopslagmodus. Synchroon compensatiebedrijf van elektriciteitsproductie-eenheden met pompopslag wordt niet in de tijd beperkt door het technisch ontwerp van de elektriciteitsproductie-eenheden. Elektriciteitsproductie-eenheden met pompopslag met variabele snelheid voldoen aan de eisen die gelden voor synchrone elektriciteitsproductie-eenheden, en aan de in artikel 20, lid 2, onder b), genoemde eisen indien zij als behorend tot de types B, C of D kunnen worden gekwalificeerd.
3. Wat de in netwerken van industriële locaties ingebedde elektriciteitsproductie-eenheden betreft, hebben de eigenaren van elektriciteitsproductie-installaties, systeembeheerders van industriële locaties en relevante systeembeheerders waarvan het netwerk gekoppeld is aan het netwerk van de industriële locatie, het recht overeenstemming te bereiken over de voorwaarden voor ontkoppeling van dergelijke productie-eenheden in combinatie met hun kritische belastingen die de productieprocessen veiligstellen, van het netwerk van de relevante systeembeheerder. Uitoefening van dit recht wordt gecoördineerd met de relevante TSB.
4. Met uitzondering van de in artikel 13, leden 2 en 4, genoemde eisen of tenzij anderszins bepaald in het nationaal kader, zijn de eisen van deze verordening met betrekking tot de capaciteit om het opgewekte werkzame vermogen constant te houden of het opgewekte werkzame vermogen te moduleren niet van toepassing op elektriciteitsproductie-eenheden van in de netwerken van industriële locaties ingebedde installaties voor warmtekrachtproductie die voldoen aan alle hierna volgende criteria:
a) het hoofddoel van bedoelde installaties is de opwekking van warmte voor de in de desbetreffende industriële locatie plaatsvindende productieprocessen;
b) de opwekking van warmte en elektriciteit is onderling onlosmakelijk verbonden, met andere woorden elke verandering in warmteopwekking resulteert onvermijdelijk in een verandering in de productie van werkzaam vermogen en vice versa;
c) de elektriciteitsproductie-eenheden zijn van het type A, B, C of, in het geval van de synchrone zone Noord-Europa, van het type D, overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder a) tot en met c).
5. Warmtekrachtinstallaties worden getoetst op basis van hun elektrische maximumcapaciteit.