Art. 2 Verordening (EU) 2016/631, Definities
Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad (3), artikel 2 van Verordening (EG) nr. 714/2009, artikel 2 van Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie (4), artikel 2 van Verordening (EU) nr. 543/2013 (5) en artikel 2 van Richtlijn 2009/72/EG.
Bovendien wordt verstaan onder:
1. „entiteit”: een regulerende instantie, andere nationale autoriteit, systeembeheerder of ander overeenkomstig het nationaal recht aangewezen openbaar of particulier lichaam;
2. „synchrone zone”: een zone de wordt beheerd door synchroon geïnterconnecteerde TSB's, zoals de synchrone zones van Continentaal Europa, Groot-Brittannië, Ierland en Noord-Ierland en Noord-Europa en de elektriciteitssystemen van Litouwen, Letland en Estland, gezamenlijk „Baltische staten” genoemd, die deel uitmaken van een grotere synchrone zone;
3. „spanning”: het elektrisch potentiaalverschil tussen twee punten, gemeten als het kwadratisch gemiddelde van de directe component van gekoppelde spanningen bij de grondfrequentie;
4. „schijnbaar vermogen”: het product van spanning en stroomsterkte bij de grondfrequentie, vermenigvuldigd met de vierkantswortel van het getal drie in het geval van driefasensystemen, doorgaans uitgedrukt in kilovoltampère („kVA”) of megavoltampère („MVA”);
5. „elektriciteitsproductie-eenheid”: een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid of een power park module;
6. „elektriciteitsproductie-installatie”: een installatie waarin primaire energie wordt omgezet in elektrische energie en die bestaat uit één of meerdere elektriciteitsproductie-eenheden die via één of meerdere aansluitpunten met een netwerk zijn verbonden;
7. „eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie”: een natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar is van een elektriciteitsproductie-installatie;
8. „belangrijkste onderdeel van de productie-installatie”: één of meer essentiële onderdelen van apparaten die nodig zijn om de primaire energiebron om te zetten in elektriciteit;
9. „synchrone elektriciteitsproductie-eenheid”: een ondeelbaar geheel van installaties die samen elektrische energie kunnen opwekken op dusdanige wijze dat de frequentie van de opgewekte spanning, het toerental van de generator en de frequentie van de netspanning in constante verhouding tot elkaar staan en dus synchroon lopen;
10. „document voor een elektriciteitsproductie-eenheid” of „PGMD” („power generating module document”): een door de eigenaar van de productie-installatie aan de relevante systeembeheerder verstrekt document voor een productie-eenheid van het type B of C, dat de overeenstemming van de productie-eenheid met de technische criteria van deze verordening bevestigt en waarin de vereiste gegevens en verklaringen, inclusief een verklaring van overeenstemming, zijn opgenomen;
11. „relevante TSB”: de TSB in wiens regelzone een elektriciteitsproductie-eenheid, een verbruikersinstallatie, een distributiesysteem of een hoogspanningsgelijkstroomsysteem (HVDC-systeem) op een netwerk is aangesloten of zal worden aangesloten op ongeacht welk spanningsniveau;
12. „netwerk”: componenten en apparatuur die met elkaar zijn verbonden met het oog op de transmissie of distributie van elektriciteit;
13. „relevante systeembeheerder”: de beheerder van het transmissiesysteem of het distributiesysteem op wiens systeem een elektriciteitsproductie-eenheid, een verbruikersinstallatie, een distributiesysteem of een HVDC-systeem is aangesloten of zal worden aangesloten;
14. „aansluitovereenkomst”: een contract tussen de relevante systeembeheerder en de eigenaar van een elektriciteitsproductie-installatie, eigenaar van een verbruikersinstallatie, distributiesysteembeheerder of eigenaar van een HVDC-systeem, dat ook de relevante locatiespecificaties en specifieke technische eisen omvat voor de elektriciteitsproductie-installatie, de verbruikersinstallatie, het distributiesysteem, de aansluiting van het distributiesysteem of het HVDC-systeem;
15. „aansluitpunt”: het punt waarop de elektriciteitsproductie-eenheid, de verbruikersinstallatie, het distributiesysteem of het HVDC-systeem is aangesloten op een transmissiesysteem, een offshore netwerk, een distributiesysteem, inclusief gesloten distributiesystemen, of een HVDC-systeem, als vastgelegd in de aansluitovereenkomst;
16. „maximumcapaciteit” of „Pmax”: het maximale continue werkzame vermogen dat een elektriciteitsproductie-eenheid kan produceren, verminderd met de vraag die uitsluitend verband houdt met het bedrijf van die elektriciteitsproductie-eenheid zelf en die niet voor het netwerk beschikbaar is, als gespecificeerd in de aansluitovereenkomst of overeengekomen tussen de relevante systeembeheerder en de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie;
17. „power park module”: een eenheid of een verzameling van eenheden die elektriciteit opwekt, die ofwel niet-synchroon ofwel via vermogenselektronica met het systeem verbonden is en één aansluitpunt heeft met een transmissiesysteem, een distributiesysteem, inclusief een gesloten distributiesysteem, of een HVDC-systeem;
18. „offshore-power park module”: een offshore gelegen power park module met een offshoreaansluitpunt;
19. „synchroon compensatiebedrijf”: het gebruik van een niet mechanisch aangedreven draaistroomgenerator om de spanning continu te regelen door het leveren of opnemen van blindvermogen;
20. „werkzaam vermogen” (ook „actief vermogen” genoemd): de reële component van het schijnbaar vermogen bij de grondfrequentie, uitgedrukt in watt of meervouden daarvan, zoals kilowatt („kW”) of megawatt („MW”);
21. „pompopslag”: een waterkrachteenheid waarin water kan worden opgepompt en opgeslagen voor later gebruik ter opwekking van elektriciteit;
22. „frequentie”: de elektrische frequentie van het systeem, uitgedrukt in hertz, meetbaar in alle delen van de synchrone zone uitgaande van een consistente waarde voor het systeem in een tijdsduur van seconden, met slechts geringe verschillen tussen verschillende meetlocaties. De nominale waarde is 50 Hz;
23. „statiek”: de verhouding tussen een frequentieverandering in stationaire toestand en de daaruit resulterende verandering van het opgewekte werkzame vermogen in stationaire toestand, uitgedrukt in procenten. De frequentieverandering wordt uitgedrukt als een verhouding ten opzichte van de nominale frequentie, en de verandering van het werkzaam vermogen wordt uitgedrukt als een verhouding ten opzichte van de maximumcapaciteit of het feitelijk werkzaam vermogen op het moment dat de relevante drempelwaarde is bereikt;
24. „minimumregelniveau”: de laagste waarde van het werkzaam vermogen, als gespecificeerd in de aansluitovereenkomst of als overeengekomen tussen de relevante systeembeheerder en de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie, tot waarop de elektriciteitsproductie-eenheid het werkzaam vermogen kan terugregelen;
25. „referentiewaarde”: de gewenste waarde van een parameter die gewoonlijk in regelschema's wordt gebruikt;
26. „instructie”: elke door een systeembeheerder in het kader van zijn bevoegdheid gegeven opdracht aan een eigenaar van een elektriciteitsproductie-installatie, eigenaar van een verbruikersinstallatie, distributiesysteembeheerder of eigenaar van een HVDC-systeem met het oog op de uitvoering van een actie;
27. „volgens de beveiligingsfilosofie afgeschakelde fout”: een fout die succesvol is afgeschakeld volgens de beveiligingsfilosofie van de systeembeheerder;
28. „blindvermogen” (ook „reactief vermogen” genoemd): de imaginaire component van het schijnbaar vermogen bij de grondfrequentie, doorgaans uitgedrukt in kilovar („kVAr”) of megavar („MVAr”);
29. „fault-ride-through”: de capaciteit van elektrische apparatuur om verbonden te blijven met het netwerk en in bedrijf te blijven bij lage spanningen op het aansluitpunt als gevolg van volgens de beveiligingsfilosofie afgeschakelde fouten;
30. „draaistroomgenerator”: een apparaat dat mechanische energie omzet in elektrische energie door middel van een roterend magnetisch veld;
31. „stroom”: de snelheid waarmee elektrische lading zich verplaatst, gemeten als het kwadratisch gemiddelde van de normale component van de fasestroom bij de grondfrequentie;
32. „stator”: het deel van een roterende machine dat de statische, niet-bewegende magnetische onderdelen samen met de daarmee verbonden windingen omvat;
33. „inertie”: de eigenschap van een roterend stijf lichaam, zoals de rotor van een draaistroomgenerator, om zijn toestand van uniforme roterende beweging en impulsmoment in afwezigheid van een extern koppel te handhaven;
34. „synthetische inertie”: de door een power park module of HVDC-systeem geboden mogelijkheid om het inertie-effect van een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid tot op een voorgeschreven niveau te vervangen;
35. „frequentieregeling”: het vermogen van een elektriciteitsproductie-eenheid of HVDC-systeem om het opgewekte werkzame vermogen, in reactie op een gemeten afwijking van de systeemfrequentie ten opzichte van de referentiewaarde, aan te passen teneinde de systeemfrequentie stabiel te houden;
36. „frequentiegevoelige modus” of „FSM” („frequency sensitive mode”): de bedrijfsmodus van een elektriciteitsproductie-eenheid of HVDC-systeem waarin het opgewekte werkzame vermogen zich aanpast in reactie op een verandering van de systeemfrequenties, op een zodanige wijze dat dit bijdraagt tot het herstel van de nominale frequentie;
37. „gelimiteerde frequentiegevoelige modus — overfrequentie” of „LFSM-O” („limited frequency sensitive mode — overfrequency”): een bedrijfsmodus van een elektriciteitsproductie-eenheid of HVDC-systeem die resulteert in een afname van het opgewekte werkzame vermogen wanneer de systeemfrequentie een bepaalde waarde overschrijdt;
38. „gelimiteerde frequentiegevoelige modus — onderfrequentie” of „LFSM-U” („limited frequency sensitive mode — underfrequency”): een bedrijfsmodus van een elektriciteitsproductie-eenheid of HVDC-systeem die resulteert in een toename van het opgewekte werkzame vermogen wanneer de systeemfrequentie onder een bepaalde waarde daalt;
39. „dode band van de frequentierespons”: het bewust aangebrachte interval waarbinnen de frequentieregeling niet reageert;
40. „ongevoeligheid van de frequentierespons”: de inherente karakteristiek van het regelsysteem, gespecificeerd als de minimumgrootte van de verandering van de frequentie of het ingangssignaal die resulteert in een verandering van het uitgangsvermogen of het uitgangssignaal;
41. „P-Q-capaciteitsdiagram”: een diagram dat de blindvermogenscapaciteit van een elektriciteitsproductie-eenheid weergeeft bij een variërend werkzaam vermogen op het aansluitpunt;
42. „stabiliteit in stationaire toestand”: de capaciteit van een netwerk of een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid om na een voldoende kleine storing terug te keren naar stabiel bedrijf en dat bedrijf te handhaven;
43. „eilandbedrijf”: het onafhankelijk bedrijf van een geheel netwerk of een deel van een netwerk dat geïsoleerd is na te zijn ontkoppeld van het geïnterconnecteerde systeem, waarbij minimaal één elektriciteitsproductie-eenheid of HVDC-systeem vermogen levert aan dit netwerk en de frequentie en spanning regelt;
44. „eigenbedrijfsituatie”: de bedrijfsvoering die waarborgt dat elektriciteitsproductie-installaties in hun eigen energiebehoefte kunnen voorzien wanneer een systeemstoring resulteert in de ontkoppeling van de elektriciteitsproductie-eenheden van het systeem en overschakelen naar de eigenbedrijfsvoorziening;
45. „black-start-mogelijkheden”: de capaciteit van een elektriciteitsproductie-eenheid om zich te herstellen na een totale afschakeling, met behulp van een daarvoor specifiek bestemde noodvoeding zonder enige levering van elektrische energie van buiten de elektriciteitsproductie-installatie;
46. „erkende certificerende instantie”: een instantie die conformiteitscertificaten en documenten voor elektriciteitsproductie-eenheden uitreikt en daarvoor is geaccrediteerd door de nationale organisatie die is aangesloten bij de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (6) opgerichte Europese samenwerking voor Accreditatie (EA);
47. „conformiteitscertificaat”: een door een erkende certificerende instantie verstrekt document voor apparatuur die wordt gebruikt door een elektriciteitsproductie-eenheid, verbruikseenheid, distributiesysteem, verbruikersinstallatie of HVDC-systeem. In dit conformiteitscertificaat wordt de omvang van de geldigheid omschreven op een nationaal of ander niveau waarvoor een specifieke waarde is geselecteerd uit het op Europees niveau toegestane bereik. Met het oog op de vervanging van specifieke onderdelen van het conformiteitsproces kan het conformiteitscertificaat met feitelijke testresultaten geverifieerde modellen omvatten;
48. „bekrachtigingsregelsysteem”: een teruggekoppeld regelsysteem dat de synchrone generator en het bekrachtigingssysteem daarvan omvat;
49. „U-Q/Pmax-profiel”: een profiel dat de blindvermogenscapaciteit weergeeft van een elektriciteitsproductie-eenheid of HVDC-convertor bij variërende spanning op het aansluitpunt;
50. „minimaal stabiel bedrijf”: het minimale werkzame vermogen, als gespecificeerd in de aansluitovereenkomst of als overeengekomen tussen de relevante systeembeheerder en de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie, waarbij de elektriciteitsproductie-eenheid gedurende onbeperkte tijd op stabiele wijze in bedrijf kan zijn;
51. „overbekrachtigingsbegrenzer”: een regelsysteem binnen de automatische spanningsregeling (AVR) dat voorkomt dat de rotor van een draaistroomgenerator overbelast wordt, namelijk door een begrenzing van de bekrachtigingsstroom;
52. „onderbekrachtigingsbegrenzer”: een regelsysteem binnen de AVR dat voorkomt dat de draaistroomgenerator zijn synchroniciteit verliest ten gevolge van een gebrek aan bekrachtiging;
53. „automatische spanningsregeling” of „AVR” („automatic voltage regulator”): de continu in bedrijf zijnde automatische apparatuur ter regeling van de klemspanning van een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid door middel van vergelijking van de feitelijke klemspanning met een referentiewaarde en regeling van de uitgang van een bekrachtigingsregelsysteem;
54. „power system stabiliser” of „PSS”: een extra functionaliteit van de AVR van een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid met als doel vermogensschommelingen te dempen;
55. „snelle foutstroom”: een stroom die door een power park module of HVDC-systeem wordt geïnjecteerd tijdens en na een spanningsafwijking ten gevolge van een elektrische fout, met als doel foutdetectie door het beveiligingssysteem tijdens het beginstadium van de fout, en waarmee in een later stadium de systeemspanning wordt ondersteund en na afschakeling van de fout het herstel van de systeemspanning wordt bereikt;
56. „arbeidsfactor”: de verhouding tussen de absolute waarde van het werkzaam vermogen en het schijnbaar vermogen;
57. „helling”: de verhouding tussen de verandering in spanning, gebaseerd op de nominale spanning, en de toename van het blindvermogen van nul tot het maximale blindvermogen, gebaseerd op het maximale blindvermogen;
58. „offshore-netaansluitsysteem”: de complete verbinding tussen een offshoreaansluitpunt en het onshore-systeem aan het onshore-netwerkaansluitpunt;
59. „onshore-netwerkaansluitpunt”: het punt waarop het offshore-netaansluitsysteem verbonden is met het onshore-netwerk van de desbetreffende systeembeheerder;
60. „installatiedocument”: een eenvoudig gestructureerd document dat informatie bevat over een elektriciteitsproductie-eenheid van het type A of een verbruikseenheid met vraagsturing, aangesloten beneden 1 000 V, en waarin de conformiteit met de relevante eisen wordt bevestigd;
61. „verklaring van conformiteit”: een door de eigenaar van een elektriciteitsproductie-installatie, eigenaar van een verbruikersinstallatie, distributiesysteembeheerder of eigenaar van een HVDC-systeem aan de systeembeheerder toegezonden document waarin de huidige status van conformiteit met de relevante specificaties en eisen wordt bevestigd;
62. „definitieve bedrijfsvoeringsnotificatie” of „FON” („final operational notification”): een kennisgeving, door de relevante systeembeheerder toegestuurd aan de eigenaar van een elektriciteitsproductie-installatie, eigenaar van een verbruikersinstallatie, distributiesysteembeheerder of eigenaar van een HVDC-systeem die voldoet aan de relevante specificaties en eisen, waarbij deze toestemming krijgt respectievelijk een elektriciteitsproductie-eenheid, verbruikersinstallatie, distributiesysteem of HVDC-systeem te exploiteren via aansluiting op het net;
63. „inschakelbedrijfsvoeringsnotificatie” of „EON” („energisation operational notification”): een kennisgeving, door de relevante systeembeheerder toegestuurd aan de eigenaar van een elektriciteitsproductie-installatie, eigenaar van een verbruikersinstallatie, distributiesysteembeheerder of eigenaar van een HVDC-systeem, voorafgaand aan de het inschakelen van zijn intern netwerk;
64. „voorlopige bedrijfsvoeringsnotificatie” of „ION” („interim operational notification”): een kennisgeving, door de relevante systeembeheerder toegestuurd aan de eigenaar van een elektriciteitsproductie-installatie, eigenaar van een verbruikersinstallatie, distributiesysteembeheerder of eigenaar van een HVDC-systeem, waarbij deze toestemming krijgt respectievelijk een elektriciteitsproductie-eenheid, verbruikersinstallatie, distributiesysteem of HVDC-systeem via aansluiting op het net voor een beperkte tijdsperiode te exploiteren en conformiteitstests te beginnen teneinde overeenstemming met de relevante specificaties en eisen te waarborgen;
65. „beperkte exploitatiekennisgeving” of „LON” (limited operational notification): een kennisgeving, door de relevante systeembeheerder toegestuurd aan de eigenaar van een elektriciteitsproductie-installatie, eigenaar van een verbruikersinstallatie, distributiesysteembeheerder of eigenaar van een HVDC-systeem, die voordien de FON-status had bereikt, maar die tijdelijk een aanzienlijke wijziging of een verlies aan capaciteit ondergaat, resulterend in niet-overeenstemming met de relevante specificaties en eisen.