Art. 55 Verordening (EU) 2016/631, Overeenstemmingssimulaties voor power park modules van het type C
1. Power park modules van het type C worden, in aanvulling op de in artikel 54 gespecificeerde conformiteitssimulaties voor power park modules van het type B, onderworpen aan de in de leden 2 tot en met 7 gespecificeerde conformiteitssimulaties. In de plaats van alle of een deel van deze simulaties uit te voeren, kan de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie de door een erkende certificerende instantie verstrekte conformiteitscertificaten gebruiken, die aan de relevante systeembeheerder worden verstrekt.
2. Wat de simulatie van de LFSM-U-respons betreft, gelden de volgende eisen:
a) de capaciteit van de power park module om het werkzaam vermogen bij lage frequenties te moduleren, overeenkomstig artikel 15, lid 2, onder c), wordt aangetoond;
b) de simulatie wordt uitgevoerd door middel van sprongen en gradiënten bij onderfrequentie waarmee de maximumcapaciteit wordt bereikt, rekening houdend met de statiekinstellingen en de dode band;
c) de simulatie wordt als succesvol beschouwd wanneer:
i) het simulatiemodel van de power park module is gevalideerd aan de hand van de conformiteitstest voor de LFSM-U-respons, als vastgesteld bij artikel 48, lid 3, en
ii) overeenstemming met de eis als vastgesteld bij artikel 15, lid 2, onder c), is aangetoond.
3. Wat de simulatie van de FSM-respons betreft, gelden de volgende eisen:
a) de capaciteit van de power park module om het werkzaam vermogen over de volledige frequentieband te moduleren als bedoel in artikel 15, lid 2, onder d), wordt aangetoond;
b) de simulatie wordt uitgevoerd door frequentiesprongen en -gradiënten te simuleren die voldoende groot zijn om het gehele frequentieresponsbereik van het werkzaam vermogen te initiëren, rekening houdend met de statiekinstellingen en de dode band;
c) de simulatie wordt als succesvol beschouwd wanneer:
i) het simulatiemodel van de power park module is gevalideerd aan de hand van de conformiteitstest voor de FSM-respons, als beschreven in artikel 48, lid 4, en
ii) overeenstemming met de eis als omschreven in artikel 15, lid 2, onder d), is aangetoond.
4. Wat de simulatie van het eilandbedrijf betreft, gelden de volgende eisen:
a) de prestaties van de power park module gedurende eilandbedrijf overeenkomstig de in artikel 15, lid 5, onder b), gespecificeerde voorwaarden worden aangetoond;
b) de simulatie wordt als succesvol beschouwd wanneer de power park module het opgewekte werkzame vermogen verlaagt of verhoogt vanuit zijn vorig bedrijfspunt naar elk nieuw bedrijfspunt binnen het P-Q-capaciteitsdiagram en binnen de in artikel 15, lid 5, onder b), gespecificeerde grenzen, zonder ontkoppeling van de power park module van het eiland ten gevolge van over-/onderfrequentie.
5. Wat de simulatie van de levering van synthetische inertie betreft, gelden de volgende eisen:
a) het model is in staat de capaciteit van de power park module om synthetische inertie aan een gebeurtenis die resulteert in een lage frequentie te leveren als bedoeld in artikel 21, lid 2, onder a), te simuleren;
b) de simulatie wordt als succesvol beschouwd wanneer het model aantoont dat het in overeenstemming is met de in artikel 21, lid 2, genoemde voorwaarden.
6. Wat de simulatie van de capaciteit voor het leveren van blindvermogen betreft, gelden de volgende eisen:
a) De power park module toont aan in staat te zijn inductief en capacitief blindvermogen, conform de condities van artikel 21, lid 3, onder b) en c), te leveren;
b) de simulatie wordt als succesvol beschouwd wanneer cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan:
i) het simulatiemodel van de power park module is gevalideerd aan de hand van de conformiteitstest voor de capaciteit voor het leveren van blindvermogen, als beschreven in artikel 48, lid 6, en
ii) de overeenstemming met de eisen als omschreven in artikel 21, lid 3, onder b) en c), is aangetoond.
7. Wat de simulatie van de regeling voor het dempen van de vermogensoscillaties betreft, gelden de volgende eisen:
a) het model van de power park module toont aan in staat te zijn om oscillaties van het werkzaam vermogen te dempen als bedoeld in artikel 21, lid 3, onder f);
b) de simulatie wordt als succesvol beschouwd wanneer het model de overeenstemming met de in artikel 21, lid 3, onder f), gespecificeerde voorwaarden aantoont.