Art. 24, Vrijgeven van de zekerheid

1. Zodra het in de specifieke Unievoorschriften vastgestelde bewijs is geleverd dat een verplichting is nagekomen of de zekerheid gedeeltelijk is verbeurd overeenkomstig artikel 66, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 en artikel 23 van de onderhavige verordening, wordt de zekerheid of, in voorkomend geval, het resterende bedrag van de zekerheid onmiddellijk vrijgegeven.

2. Op verzoek wordt een zekerheid gedeeltelijk vrijgegeven wanneer het daartoe voorgeschreven bewijs is geleverd voor een gedeelte van een hoeveelheid product, op voorwaarde dat dit gedeelte niet kleiner is dan een minimumhoeveelheid die is vastgesteld in de verordening op grond waarvan de zekerheid moet worden gesteld, of die, bij gebrek aan een dergelijke verordening, door de lidstaat is vastgesteld.

3. Wanneer geen termijn is vastgesteld voor het indienen van de bewijsstukken voor het vrijgeven van een zekerheid, geldt als uiterste termijn 365 kalenderdagen na de vastgestelde termijn voor de nakoming van de verplichting waarvoor de zekerheid is gesteld. Wanneer geen termijn voor de nakoming van de verplichting is vastgesteld, geldt als uiterste termijn 365 kalenderdagen na de datum waarop alle verplichtingen zijn nagekomen.

De in de eerste alinea bedoelde termijn mag niet langer zijn dan 1 095 kalenderdagen vanaf de datum waarop de zekerheid voor een bepaalde verplichting is gesteld.

Uitspraken die dit artikel aanhalen