Art. 21 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014, Zekerheidssteller
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014
1. De zekerheidssteller dient zijn officieel geregistreerde verblijfplaats of een vestiging in de Unie te hebben en, onverminderd de bepalingen van het Verdrag met betrekking tot het vrij verlenen van diensten, goedgekeurd te zijn door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de zekerheid wordt gesteld. De zekerheidssteller verbindt zich door een schriftelijke borgstelling.
2. In de schriftelijke borgstelling moeten ten minste worden opgenomen:
a) de verplichting of, in het geval van een algemene zekerheid, de soort(en) verplichtingen, waarvan de naleving door betaling van een som geld wordt gegarandeerd;
b) het maximumbedrag waarvoor de zekerheidssteller zich verbindt;
c) de verklaring dat de zekerheidssteller zich gezamenlijk en hoofdelijk met de partij die voor de nakoming van de verplichting verantwoordelijk is, verbindt om op verzoek van de bevoegde autoriteit binnen 30 dagen, binnen de grenzen van de zekerheid, elk bedrag te betalen dat opeisbaar is wegens het verbeuren van een zekerheid.
3. Wanneer reeds een schriftelijke algemene zekerheidsstelling is gegeven, bepaalt de bevoegde autoriteit welke procedure moet worden gevolgd om de algemene zekerheid geheel of gedeeltelijk als garantie voor een specifieke verplichting te gebruiken.