Art. 68, Minimumpercentage controles

1. De bevoegde controleautoriteit voert voor de eisen en normen waarvoor zij verantwoordelijk is, controles ter plaatse uit bij ten minste 1 % van het totale aantal in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde begunstigden die onder haar ressorteren.

In afwijking van de eerste alinea kan in het geval van groepen personen als bedoeld in de artikelen 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, elk individueel lid van dergelijke groepen voor de berekening van de in de eerste alinea vastgestelde steekproef voor controles worden beschouwd als een begunstigde.

Het in de eerste alinea bedoelde minimumpercentage controles mag worden bereikt op het niveau van elke bevoegde controleautoriteit of op het niveau van elk besluit, elke norm of elke groep besluiten of normen. Wanneer de controles niet door het betaalorgaan worden uitgevoerd, mag dat minimumpercentage evenwel worden bereikt op het niveau van elk betaalorgaan.

Indien in de voor het besluit of de normen geldende regelgeving reeds een minimumpercentage controles is vastgesteld, wordt in de betrokken gevallen dat percentage toegepast in plaats van het in de eerste alinea bedoelde minimumpercentage. Als andere mogelijkheid kunnen de lidstaten besluiten dat niet-nalevingen die bij controles ter plaatse op grond van de voor de besluiten en normen geldende regelgeving buiten de in de eerste alinea bedoelde steekproef worden ontdekt, worden gemeld aan de bevoegde controleautoriteit die verantwoordelijk is voor het betrokken besluit of de betrokken norm, en worden onderworpen aan een vervolgactie door die autoriteit. De bepalingen van dit hoofdstuk en van titel III, hoofdstukken I, II en III, zijn van toepassing.

Wat de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden in verband met Richtlijn 96/22/EG betreft, wordt met de toepassing van een specifiek steekproefniveau van de monitoringplannen geacht te zijn voldaan aan het vereiste van het in de eerste alinea bedoelde minimumpercentage.

2. In afwijking van lid 1 mag de lidstaat, om het in dat lid bedoelde minimumpercentage controles op het niveau van elk besluit, elke norm of elke groep besluiten of normen te bereiken:

a) gebruikmaken van de resultaten van controles ter plaatse die uit hoofde van de voor deze besluiten en normen geldende regelgeving bij de geselecteerde begunstigden worden verricht, of

b) geselecteerde begunstigden vervangen door begunstigden die ter plaatse worden gecontroleerd uit hoofde van de voor deze besluiten en normen geldende regelgeving, mits deze begunstigden begunstigden als bedoeld in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zijn.

In dergelijke gevallen omvatten de controles ter plaatse alle randvoorwaardenaspecten van de desbetreffende besluiten of normen. Voorts zorgt de lidstaat ervoor dat deze controles ter plaatse ten minste even effectief zijn als die van de bevoegde controleautoriteiten.

3. Bij de vaststelling van het minimumpercentage controles als bedoeld in lid 1 van het onderhavige artikel, wordt geen rekening gehouden met de vereiste maatregelen als bedoeld in artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

4. Indien de controles ter plaatse een belangrijke mate van niet-naleving van een bepaald besluit of een bepaalde norm aan het licht brengen, wordt het aantal in de volgende controleperiode voor dat besluit of die norm te verrichten controles ter plaatse verhoogd. Ten aanzien van een bepaald besluit kan de bevoegde controleautoriteit besluiten om die extra controles ter plaatse te beperken tot de eisen die het meest zijn overtreden.

5. Wanneer een lidstaat besluit gebruik te maken van de optie waarin is voorzien in artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 worden op een steekproef van 20 % van die begunstigden de nodige maatregelen toegepast om te verifiëren of de begunstigden de betrokken situatie van niet-naleving hebben verholpen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen