Art. 31 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014, Gevallen van onbillijkheid

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014

1. Wanneer een landbouwer wegens overmacht of uitzonderlijke omstandigheden geen aanvraag voor toewijzing van betalingsrechten als bedoeld in artikel 24, lid 1, of artikel 39, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 heeft kunnen indienen en betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve aanvraagt, worden hem betalingsrechten toegewezen op grond van artikel 30, lid 7, onder c), van die verordening. De lidstaten stellen de jaarlijkse waarde per eenheid van de betalingsrechten vast die moeten worden toegewezen overeenkomstig artikel 25 of artikel 40 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, alsmede hun besluiten ten aanzien van de in die artikelen bedoelde opties.

2. De lidstaten kunnen besluiten dat wanneer het aantal aan een landbouwer toegewezen betalingsrechten als gevolg van de toepassing van een of meer in artikel 24, leden 3 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde beperkingen op de toewijzing van betalingsrechten wordt verlaagd tot minder dan een bepaald percentage van zijn subsidiabele hectaren en wanneer de landbouwer betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve aanvraagt, ervan wordt uitgegaan dat deze landbouwer met een „specifiek nadeel” als bedoeld in artikel 30, lid 7, onder b), van die verordening, wordt geconfronteerd. In dat geval wordt aan die landbouwer overeenkomstig artikel 30, lid 7, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 een aantal betalingsrechten toegewezen dat overeenstemt met een aandeel in het totale aantal van zijn subsidiabele hectaren die overeenkomstig artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in zijn aanvraag voor 2015 zijn aangegeven.

Het bepaalde percentage als bedoeld in de eerste alinea, wordt berekend door het totale aantal betalingsrechten dat in 2015 na toepassing van de in artikel 24, leden 3 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde beperkingen in de lidstaat is toegewezen, te delen door het totale aantal subsidiabele hectaren dat in 2015 overeenkomstig artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in de lidstaat is aangegeven.

Het in de eerste alinea bedoelde aandeel van het totale aantal subsidiabele hectaren van de landbouwer wordt berekend als de helft van het verschil in procentpunten tussen het bepaalde percentage als bedoeld in de eerste en tweede alinea, en het aandeel van de betalingsrechten van de landbouwer in zijn subsidiabele hectaren die overeenkomstig artikel 72, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in 2015 zijn aangegeven.

Bij de berekening van het in de eerste, tweede en derde alinea van dit lid bedoelde aantal subsidiabele hectaren kunnen de lidstaten besluiten om geen rekening te houden met de arealen voor blijvende teelten, met de arealen blijvend grasland in gebieden met moeilijke klimatologische omstandigheden bedoeld in artikel 24, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, of met de arealen die overeenkomstig artikel 4, lid 2, tweede alinea, van die verordening als blijvend grasland zijn erkend.

Lidstaten die gebruikmaken van de in artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 geboden mogelijkheid om de basisbetalingsregeling op regionaal niveau toe te passen, kunnen de in de tweede alinea van het onderhavige lid beschreven berekeningsmethode baseren op de totale aantallen die in 2015 in de desbetreffende regio zijn toegewezen/aangegeven.

Ter bepaling van de in de eerste alinea bedoelde drempel wordt de grond die de landbouwer na 19 oktober 2011 heeft gekocht of gepacht, niet in aanmerking genomen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen