Art. 28, Vaststelling van betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve in het kader van artikel 30, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013
1. Voor de toepassing van artikel 30, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 ontvangt een jonge landbouwer of een landbouwer die met zijn landbouwactiviteiten begint en betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve aanvraagt terwijl hij geen betalingsrechten (in eigendom of in pacht) heeft, een aantal betalingsrechten dat gelijk is aan het aantal subsidiabele hectaren dat hij op de door de Commissie op basis van artikel 78, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde uiterste datum voor de indiening van zijn aanvraag voor de toewijzing of verhoging van de waarde van betalingsrechten (in eigendom of in pacht) heeft.
2. Een jonge landbouwer of een landbouwer die met zijn landbouwactiviteiten begint en betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve aanvraagt terwijl hij al betalingsrechten (in eigendom of in pacht) heeft, ontvangt een aantal betalingsrechten dat gelijk is aan het aantal subsidiabele hectaren dat hij op de in lid 1 bedoelde uiterste datum voor de indiening van zijn aanvraag (in eigendom of in pacht) heeft zonder dat hij daarvoor betalingsrechten (in eigendom of in pacht) heeft.
Wanneer de betalingsrechten die de landbouwer al (in eigendom of in pacht) heeft, minder waard zijn dan het nationale of het regionale gemiddelde als bedoeld in artikel 30, lid 8, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, kan de jaarlijkse waarde per eenheid van die betalingsrechten worden verhoogd tot het nationale of het regionale gemiddelde als bedoeld in artikel 30, lid 10, van die verordening.
In lidstaten die de in artikel 30, lid 10, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde verhoging toepassen in het kader van artikel 30, lid 7, van die verordening, is de in de tweede alinea van het onderhavige artikel bedoelde verhoging echter verplicht. Het niveau van deze verhoging dient overeen te stemmen met het hoogste niveau van de verhoging die in het kader van artikel 30, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt toegepast.
3. In lidstaten die artikel 24, leden 6 of 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toepassen, kunnen de in die bepalingen neergelegde beperkingen op de toewijzing van betalingsrechten overeenkomstig worden toegepast op de toewijzing van betalingsrechten krachtens artikel 30, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
De lidstaten kunnen evenwel bepalen dat wanneer de som van het totale aantal betalingsrechten dat de landbouwer al heeft, en de nieuwe uit de reserve aan hem toe te wijzen betalingsrechten als gevolg van de toepassing van een of meer in de eerste alinea van dit lid bedoelde beperkingen onder een bepaald percentage van zijn subsidiabele hectaren blijft in het jaar waarin hij een aanvraag voor de toewijzing van betalingsrechten uit de reserve indient, aan die landbouwer een extra aantal betalingsrechten wordt toegewezen dat overeenstemt met een aandeel in het totale aantal van zijn subsidiabele hectaren die overeenkomstig artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in zijn aanvraag voor dat jaar zijn aangegeven.
Het bepaalde percentage als bedoeld in de tweede alinea van dit lid, wordt berekend volgens de in artikel 31, lid 2, tweede alinea, van de onderhavige verordening beschreven methode.
Het in de tweede alinea van dit lid bedoelde aandeel van het totale aantal subsidiabele hectaren van de landbouwer wordt berekend als de helft van het verschil in procentpunten tussen het bepaalde percentage als bedoeld in de derde alinea van dit lid, en het aandeel van de betalingsrechten van de landbouwer in zijn subsidiabele hectaren die overeenkomstig artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zijn aangegeven in zijn aanvraag voor het in de tweede alinea van dit lid bedoelde jaar. Voor de toepassing van deze alinea wordt onder „betalingsrechten van de landbouwer” verstaan de betalingsrechten die de landbouwer al heeft en de nieuwe, uit de reserve toe te wijzen betalingsrechten.
Bij de berekening van het in de tweede, derde en vierde alinea van dit lid bedoelde aantal subsidiabele hectaren kunnen de lidstaten besluiten om geen rekening te houden met de arealen voor blijvende teelten, met de arealen blijvend grasland in gebieden met moeilijke klimatologische omstandigheden als bedoeld in artikel 24, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, of met de arealen die overeenkomstig artikel 4, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 als blijvend grasland zijn erkend.
Lidstaten die gebruikmaken van de in artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 geboden mogelijkheid om de basisbetalingsregeling op regionaal niveau toe te passen, kunnen de in de tweede alinea van het onderhavige lid beschreven berekeningsmethode baseren op de totale aantallen die in 2015 in de desbetreffende regio zijn toegewezen/aangegeven.
Ter bepaling van de in de tweede alinea bedoelde drempel wordt de grond die de landbouwer na 19 oktober 2011 heeft gekocht of gepacht, niet in aanmerking genomen.
4. Voor de toepassing van dit artikel komen alleen de landbouwers die met hun landbouwactiviteit beginnen, in aanmerking die in kalenderjaar 2013 of in een later jaar met hun landbouwactiviteit zijn gestart en die uiterlijk twee jaar na het kalenderjaar van aanvang van de landbouwactiviteit een aanvraag voor de basisbetalingsregeling indienen.