Art. 17 Richtlijn 2014/59/EU, Bevoegdheden voor het aanpakken of wegnemen van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid

Richtlijn 2014/59/EU

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat indien een afwikkelingsautoriteit op grond van een overeenkomstig de artikelen 15 en 16 uitgevoerde beoordeling van de afwikkelbaarheid voor een instelling, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, vaststelt dat er wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van die instelling bestaan, zij deze vaststelling schriftelijk ter kennis brengt van de betrokken instelling, van de bevoegde autoriteit en van de afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn.

2. De vereiste dat de afwikkelingsautoriteiten afwikkelingsplannen moeten opstellen en dat de betrokken afwikkelingsautoriteiten tot een gezamenlijk besluit over de groepsafwikkelingsplannen uit hoofde van artikel 10, lid 1, respectievelijk artikel 13, lid 4, worden na de in lid 1 van dit artikel bedoelde kennisgeving opgeschort tot de maatregelen om de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid weg te nemen, overeenkomstig lid 3 van dit artikel door de afwikkelingsautoriteit zijn aanvaard of overeenkomstig lid 4 van dit artikel zijn vastgesteld.

3. Binnen vier maanden na de datum van ontvangst van een overeenkomstig lid 1 verrichte kennisgeving stelt de instelling aan de afwikkelingsautoriteit mogelijke maatregelen voor om de in de kennisgeving genoemde wezenlijke belemmeringen aan te pakken of weg te nemen. Na raadpleging van de bevoegde autoriteit beoordeelt de afwikkelingsautoriteit of deze maatregelen de desbetreffende wezenlijke belemmeringen effectief aanpakken of wegnemen.

4. Indien de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat de maatregelen die een instelling overeenkomstig lid 3 voorstelt, de betrokken belemmeringen niet daadwerkelijk aanpakken of wegnemen, eist zij, hetzij rechtstreeks hetzij via de bevoegde autoriteit, van de instelling dat zij alternatieve maatregelen neemt waarmee dat doel kan worden bereikt en brengt zij deze maatregelen schriftelijk ter kennis van de instelling, die binnen een maand een plan voorstelt om daaraan te voldoen.

Bij het vaststellen van alternatieve maatregelen toont de afwikkelingsautoriteit aan waarom de door de instelling voorgestelde maatregelen de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid niet zouden kunnen wegnemen en waarom de voorgestelde alternatieve maatregelen voor het wegnemen van de belemmeringen evenredig zijn. De afwikkelingsautoriteit houdt rekening met de bedreiging welke van die belemmeringen voor de afwikkelbaarheid uitgaat voor de financiële stabiliteit, en met de gevolgen van de maatregelen voor de bedrijfsactiviteiten van de instelling, haar stabiliteit en haar vermogen om een bijdrage te leveren aan de economie.

5. Voor de toepassing van lid 4 hebben de afwikkelingsautoriteiten de bevoegdheid om een of meer van de volgende maatregelen te nemen:

a) eisen dat de instelling eventuele financieringsregelingen binnen de groep herziet of de afwezigheid daarvan heroverweegt, of dienstverleningsovereenkomsten, binnen de groep of met derden, opstelt om het verrichten van kritieke functies in te dekken;

b) eisen dat de instelling haar maximale afzonderlijke en samengevoegde blootstellingen beperkt;

c) specifieke of periodiek in acht te nemen aanvullende informatievereisten opleggen die relevant zijn voor afwikkelingsdoeleinden;

d) eisen dat de instelling specifieke activa afstoot;

e) eisen dat de instelling specifieke bestaande of voorgestelde activiteiten beperkt of staakt;

f) de ontwikkeling van nieuwe of bestaande bedrijfsonderdelen of de verkoop van nieuwe of bestaande producten beperken of verhinderen;

g) wijzigingen eisen in de juridische of operationele structuren van de instelling of eventuele groepsentiteiten waarover zij direct of indirect zeggenschap heeft, om de complexiteit ervan te verminderen teneinde ervoor te zorgen dat kritieke functies juridisch en operationeel van de andere functies kunnen worden afgesplitst door toepassing van de afwikkelingsinstrumenten;

h) eisen dat een instelling of een moederonderneming een financiële moederholding in een lidstaat of een financiële EU-moederholding opzet;

i) eisen dat een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), in aanmerking komende passiva uitgeeft om aan de in de artikel 45, gestelde eisen te voldoen;

j) eisen dat een instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), andere maatregelen neemt om aan het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 45 te voldoen, en er met name naar streeft opnieuw te onderhandelen over elk daarvoor in aanmerking komend passief, aanvullend-tier 1-kapitaalinstrument of tier 2-kapitaalinstrument dat zij heeft uitgegeven, om ervoor te zorgen dat een eventueel besluit van de afwikkelingsautoriteit om dat passief of kapitaalinstrument af te schrijven of om te zetten, wordt uitgevoerd krachtens het recht van het rechtsgebied waaronder dat passiеf of kapitaalinstrument ressorteert; en

k) indien de instelling een dochteronderneming van een gemengde holding is, eisen dat de gemengde holding een afzonderlijke financiële holding opzet om zeggenschap over de instelling uit te oefenen, als dat nodig is om de afwikkeling van de instelling te vergemakkelijken en om te voorkomen dat de toepassing van de in titel IV bedoelde afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden nadelige gevolgen voor het niet-financiële deel van de groep hebben.

6. Een in de leden 1 of 4 bedoeld besluit voldoet aan de volgende eisen:

a) het wordt onderbouwd met een motivering van de beoordeling of vaststelling in kwestie;

b) in het besluit wordt aangegeven hoe die beoordeling of vaststelling voldoet aan het in lid 4 vastgelegde vereiste van evenredige toepassing; en

c) het besluit is vatbaar voor beroep.

7. Bij de vaststelling van een in lid 4 bedoelde maatregel houdt de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit en, indien passend, de aangewezen nationale macroprudentiële autoriteit, terdege rekening met het potentiële effect van die maatregelen op de betreffende instelling, op de interne markt voor financiële diensten en op de financiële stabiliteit in andere lidstaten en in de Unie als geheel.

8. De EBA vaardigt uiterlijk op 3 juli 2015 richtsnoeren in overeenstemming met artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 uit tot nadere bepaling van de in lid 5 bedoelde maatregelen en van de omstandigheden waarin elke maatregel mag worden toegepast.

Vorige artikelen

Volgende artikelen