Art. 10, Minimumvereisten voor het ontvangen van rechtstreekse betalingen

1. De lidstaten besluiten om in een van de volgende gevallen geen rechtstreekse betalingen aan een landbouwer toe te kennen:

a) indien het totaalbedrag van de voor een bepaald kalenderjaar aangevraagde of toe te kennen rechtstreekse betalingen vóór toepassing van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 lager is dan 100 EUR;

b) indien het subsidiabele areaal van het bedrijf waarvoor rechtstreekse betalingen worden aangevraagd of moeten worden toegekend vóór toepassing van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 minder dan één hectare is.

2. Om rekening te houden met de structuur van hun landbouweconomie, kunnen de lidstaten de in lid 1, onder a) en b), vastgestelde drempels aanpassen binnen de in bijlage IV vermelde limieten.

3. Een lidstaat die besloten heeft een areaaldrempel krachtens lid 1, onder b), vast te stellen, past lid 1, onder a), echter ook toe op landbouwers die de in titel IV genoemde diergebonden gekoppelde steun ontvangen en over minder hectaren beschikken dan de areaaldrempel.

4. De betrokken lidstaten kunnen besluiten om lid 1 niet toe te passen op de ultraperifere gebieden en op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee.

5. In Bulgarije en Roemenië wordt het in lid 1, onder a), bedoelde aangevraagde of toe te kennen bedrag voor het jaar 2015 berekend op basis van het relevante bedrag dat in bijlage V, onder A, is vermeld.

In Kroatië wordt het in lid 1, onder a), bedoelde aangevraagde of toe te kennen bedrag voor de jaren 2015-2021 berekend op basis van het bedrag dat in bijlage VI, onder A, wordt vermeld.

Uitspraken die dit artikel aanhalen