Art. 51 Verordening (EU) nr. 1305/2013, Financiering van de technische bijstand

Verordening (EU) nr. 1305/2013

1. Overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, kan het ELFPO tot 0,25 % van zijn jaarlijkse toewijzing gebruiken om op initiatief van en/of namens de Commissie de in artikel 58 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, bedoelde taken te financieren, inclusief de kosten voor de oprichting en de werking van het in artikel 52 bedoelde Europees netwerk voor plattelandsontwikkeling en van het in artikel 53 bedoelde EIP-netwerk.

Ook de in artikel 41, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (26) bedoelde acties in verband met de vermeldingen en symbolen in het kader van de kwaliteitsregeling van de Unie mogen uit het ELFPO worden gefinancierd.

Deze acties worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 58 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (27) en overeenkomstig alle andere bepalingen van die verordening en van de uitvoeringsbepalingen daarvan die gelden voor de betrokken vorm van uitvoering van de begroting.

2. Op initiatief van de lidstaten kan tot 4 % van het per plattelandsontwikkelingsprogramma beschikbare totaalbedrag worden besteed aan de in artikel 59 van Verordening (EG) nr. 1303/2013 bedoelde taken en aan kosten van de werkzaamheden ter voorbereiding van de in artikel 32, bedoelde afbakening van gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen.

Kosten in verband met de in artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde certificerende instantie komen niet in aanmerking voor steun op grond van dit lid.

Binnen het maximum van 4 % wordt een bedrag geoormerkt voor de oprichting en de werking van het in artikel 54 bedoelde nationaal netwerk voor het platteland.

3. Indien programma's voor plattelandsontwikkeling zowel betrekking hebben op minder ontwikkelde als op andere regio's, kan het in artikel 59, lid 3, bedoelde ELFPO-bijdragepercentage voor technische bijstand worden vastgesteld met inachtneming van het regiotype dat naar aantal in het programma overheerst.