Art. 46 Verordening (EU) nr. 1305/2013, Investeringen in irrigatie

Verordening (EU) nr. 1305/2013

1. Onverminderd artikel 45 van deze verordening, worden in het geval van irrigatie op nieuwe en bestaande geïrrigeerde gebieden alleen investeringen die aan de voorwaarden in dit artikel voldoen, als subsidiabel beschouwd.

2. Een stroomgebiedbeheerplan, zoals vereist onder de voorwaarden van de kaderrichtlijn water, moet aan de Commissie ter kennis zijn gebracht voor het gehele gebied waarin de investering moet worden uitgevoerd en in elk ander gebieden waarin deze investering gevolgen voor het milieu kan hebben. De maatregelen van het stroomgebiedbeheerplan die overeenkomstig artikel 11 van de kaderrichtlijn water worden uitgevoerd en die relevant zijn voor de landbouwsector, zijn in het betrokken programma van maatregelen omschreven.

3. Als onderdeel van de investering moet het door middel van watermeting mogelijk, of moet het mogelijk zijn, om in het kader van de gesteunde investering het waterverbruik te meten.

4. Een investering die gebeurt binnen de verbetering van een bestaande irrigatie-installatie of als onderdeel van irrigatie-infrastructuren wordt alleen als subsidiabel beschouwd, indien uit een ex-ante beoordeling is gebleken dat hierdoor, afgaande op de technische parameters van de bestaande installatie of infrastructuur, ten minste tussen 5 % en 25 % water kan worden bespaard.

Indien de investering betrekking heeft op oppervlakte- of grondwaterlichamen waarvan de toestand als minder dan goed is aangemerkt in het betrokken stroomgebiedbeheerplan, om redenen die verband houden met de waterhoeveelheid:

a) verzekert de investering een daadwerkelijke vermindering van het waterverbruik, op het niveau van de investering, van ten minste 50 % van de potentiële waterbesparing die door de investering mogelijk wordt gemaakt;

b) resulteert de investering, indien zij betrekking heeft op één landbouwbedrijf, tevens in een vermindering van het totale waterverbruik door het bedrijf van ten minste 50 % van de potentiële waterbesparing die op het niveau van de investering mogelijk wordt gemaakt. Het totale waterverbruik door het bedrijf omvat ook water dat door het bedrijf wordt verkocht.

Geen van de in lid 4 vermelde voorwaarden is van toepassing op een investering in een bestaande installatie die enkel betrekking heeft op energie-efficiëntie, of op een investering voor het aanleggen van een reservoir of op een investering in het gebruik van gerecycleerd water die geen gevolgen heeft voor een bepaald oppervlakte- of grondwaterlichaam.

5. Investeringen die leiden tot een nettotoename van het geïrrigeerd areaal met gevolgen voor een bepaald oppervlakte- of grondwaterlichaam zijn alleen subsidiabel indien:

a) de toestand van het waterlichaam niet als minder dan goed is aangemerkt in het betrokken stroomgebiedbeheerplan om redenen die verband houden met de waterhoeveelheid; en

b) een milieuanalyse aantoont dat de investering niet zal leiden tot significante negatieve milieueffecten; dergelijke analyse van de milieueffecten wordt onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit uitgevoerd of door haar goedgekeurd, en kan tevens betrekking hebben op groepen bedrijven.

Gebieden die niet worden geïrrigeerd, maar waar in het recente verleden een irrigatie-installatie in bedrijf was, hetgeen in het programma moet worden vastgesteld en gestaafd, kunnen als geïrrigeerd areaal worden beschouwd met het oog op de bepaling van de nettotoename van het geïrrigeerde areaal.

6. In afwijking van lid 5, onder a), kunnen investeringen die leiden tot een nettotoename van het geïrrigeerde areaal toch subsidiabel zijn indien:

a) de investering wordt gecombineerd met een investering in een bestaande irrigatie-installatie of een onderdeel van een irrigatie-infrastructuur waarvan uit een ex-ante beoordeling blijkt dat hierdoor, afgaande op de technische parameters van de bestaande installatie of infrastructuur, ten minste tussen 5 % en 25 % water kan worden bespaard, en

b) de investering leidt tot een daadwerkelijke vermindering van het waterverbruik, op het niveau van de investering, van ten minste 50 % van de potentiële waterbesparing die door de investering in de bestaande irrigatie-installaties of onderdelen van de infrastructuur mogelijk wordt gemaakt.

Voorts geldt bij wijze van afwijking, de voorwaarde in lid 5, onder a), niet voor investeringen in de bouw van een nieuwe irrigatie-installatie die vanuit een bestaand reservoir van water wordt voorzien en die door de bevoegde autoriteiten vóór 31 oktober 2013 is goedgekeurd, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

— het betrokken reservoir wordt vermeld in het betrokken stroomgebiedbeheerplan en is onderworpen aan de controlevoorschriften van artikel 11, lid 3, onder e), van de kaderrichtlijn water;

— op 31 oktober 2013 was hetzij het totaal van de onttrekkingen aan het reservoir aan een maximum gebonden, hetzij de stroming in de waterlichamen die door het reservoir worden beïnvloed, aan een minimum gebonden;

— dat maximum of die minimumstroming voldoet aan de voorwaarden van artikel 4 van de kaderrichtlijn water; en

— de betrokken investering leidt niet tot onttrekkingen boven het op 31 oktober 2013 geldende maximum of tot een vermindering van de op 31 oktober 2013 geldende minimumstroming in de betrokken waterlichamen.